← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2020:657

183084 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 10 maart 2020 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 mei 2018, 17/2296 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer, thans Midden‑Groningen (college) Zitting heeft: P.W. van Straalen Griffier: L.R. Daman Namens appellante is verschenen mr. M. Schlepers, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Assmann. BESLISSING De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om de herziening en terugvordering van bijstand van appellante in verband met toepassing van de kostendelersnorm. Het college heeft de kostendelersnorm per 8 juli 2016 toegepast omdat de 21 jarige dochter van appellante vanaf dat moment niet langer studeerde. Appellante had dat niet gemeld bij het college. Omdat de dochter op 28 november 2016 niet langer stond ingeschreven op het adres van appellante, heeft het college de bijstand herzien over de periode 8 juli 2016 tot en met 27 november

  1. Het over die periode terug te vorderen bedrag bedraagt € 2.056,
  2. Niet in geschil is dat de dochter na haar afstuderen op 7 juli 2016 als kostendelende medebewoner moet worden beschouwd. Appellante heeft echter aangevoerd dat het college op de hoogte was van de situatie dat de dochter inwonend was. Zij ging ervan uit dat zij aan haar inlichtingenverplichting had voldaan. Ook is zij er nooit op gewezen dat de dochter na het einde van haar studie als kostendeler zou worden beschouwd. Deze grond slaagt niet. Dat is reeds het geval omdat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het einde van de studie van haar inwonende dochter en daarmee ook het einde van het recht op studiefinanciering redelijkerwijs van invloed zouden kunnen zijn op het recht op bijstand. Zij had dit daarom moeten melden. Daarbij kan in het midden blijven of het college appellante hierover onvoldoende heeft voorgelicht, zoals appellante stelt en het college betwist. De verantwoordelijkheid om de genoemde wijzigingen te melden ligt immers bij appellante. Appellante voert voorts aan dat de dochter al medio oktober is verhuisd en niet per 28 november
  3. De kostendelersnorm had daarom over een kortere periode moeten worden toegepast. Appellante wijst in dit verband op een betaling van € 450,- aan de verhuurder van de dochter op 21 oktober
  4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat daaruit niets blijkt over de feitelijke woonsituatie van de dochter. Gelet op het feit dat appellante niet heeft doorgegeven dat de dochter op enig moment is verhuisd, de dochter per 28 november 2016 in de Basisregistratie personen is uitgeschreven van het adres van appellante en de huurovereenkomst op het nieuwe adres op 27 november 2016 is ingegaan, is met de betaling van een bedrag van € 450,- aan de verhuurder niet aannemelijk dat al per de datum van die betaling een wijziging is opgetreden in de feitelijke woonsituatie van de dochter. Appellante heeft tot slot niet nader gemotiveerd een beroep gedaan op dringende redenen om van de terugvordering af te zien. Zij had dat beroep nader moeten onderbouwen en daarbij moeten aangeven welke onaanvaardbare gevolgen de terugvordering heeft. Dat heeft zij niet gedaan, zodat ook die grond niet slaagt. Dit betekent dat de aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal om die reden worden bevestigd. Voor een kostenveroordeling is dan geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) L.R. Daman (getekend) P.W. van Straalen

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.