/177650 WAJONG Datum uitspraak: 26 maart 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2017, 16/6303 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L. Goudkade hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Goudkade. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1.1. Het Uwv heeft appellante, geboren [in] 1986, met ingang van 31 juli 2007 een uitkering toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten zoals deze destijds luidde (Wajong 1998), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. In het kader van een herbeoordeling wegens de inwerkingtreding van de Participatiewet met ingang van 1 januari 2015 heeft het Uwv bij besluit van 4 februari 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft als bedoeld in de Wajong zoals deze wet luidt sinds 1 januari 2015 (Wajong 2015) en dat haar Wajong-uitkering daarom met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige ten grondslag. Bij beslissing op bezwaar van 11 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. Er zijn beperkingen aangenomen gelet op het energieniveau van appellante. Er is voldoende gemotiveerd dat er geen reden is voor een urenbeperking van meer dan vier uur per dag en dat appellante één uur aangesloten kan werken. De in beroep ingediende expertise van medisch adviseur en verzekeringsarts J.M. Fokke heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, omdat Fokke zijn oordeel alleen heeft onderbouwd aan de hand van het door appellante zelf opgestelde dagverhaal. De door appellante ingediende informatie van het CVS/ME-centrum Amsterdam van 15 december 2016 heeft geen aanleiding gegeven voor een ander standpunt, omdat hieruit een normale longfunctie en een normale gemeten maximale inspanningscapaciteit blijken. Aan het door appellante overgelegde dagverhaal, met meer rustmomenten dan waarmee door de verzekeringsartsen rekening is gehouden, is niet de door appellante gewenste waarde gehecht, omdat het een subjectieve weergave is en niet duidelijk is of dit de weergave is van een gemiddelde dag. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat afdoende inzichtelijk is gemotiveerd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat appellante in staat kan worden geacht een taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren en beschikt over basale werknemersvaardigheden. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat door de rechtbank onvoldoende waarde is gehecht aan de in beroep ingebrachte expertise van Fokke, de ingebrachte medische informatie en haar dagverhaal. Uit deze informatie blijkt dat zij niet één uur aaneengesloten kan werken en ook niet gedurende vier uur per dag belastbaar is. Ter nadere onderbouwing van haar standpunt heeft zij gewezen op het advies van de Gezondheidsraad over CVS/ME van 19 maart 2018 en heeft zij nieuwe medische informatie ingediend, waarin in december 2017 de diagnoses fibromyalgie en een traag werkende schilklier (hypothyreoïdie) zijn genoemd. Ook heeft zij de resultaten van een door het CVS/ME-centrum in februari 2018 afgenomen fietstest (ergospirometrie test) ingebracht, een brief van H. Pekelharing van het CVS/ME Centrum van 18 december 2019 en informatie van de huisarts, waarin resultaten van bij appellante in 2007 en in november 2019 verricht onderzoek naar vitamine B12-waardes zijn opgenomen. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar de in hoger beroep ingebrachte rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 oktober 2019 en 23 januari 2020. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. Ter beoordeling ligt voor of de rechtbank het standpunt van het Uwv terecht heeft onderschreven dat appellante op 1 januari 2018 mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft als bedoeld in artikel 3:8a van de Wajong 2015. 4.3. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.