18/781 WW Datum uitspraak: 15 april 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017, 17/4595 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Hartman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vragen van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hartman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was werkzaam als industrieel schoonmaker in dienst van [BV] (werkgeefster) voor 40 uur per week. Op 9 oktober 2015 heeft hij zich ziek gemeld, onder meer wegens klachten ten gevolge van COPD en longemfyseem. 1.2. Appellant is gezien door de bedrijfsarts van werkgeefster. Deze heeft appellant niet volledig arbeidsongeschikt geacht en hem in staat geacht in aangepast werk volgens een opbouwschema te hervatten. Werkgeefster appellant hierop een re-integratievoorstel gedaan. Dit voorstel hield in dat appellant met ingang van 27 september 2016 in dagdienst een collega zou ondersteunen in het schoonmaakproces, waarbij hij lichte schoonmaaktaken zou vervullen, zoals deurklinken afdoen en deuren met een doek schoonmaken. Dit zou gebeuren in een opbouwschema, waarbij appellant in de eerste week twee keer twee uur zou werken, in de tweede week drie keer drie uur en zo verder tot hij de achtste week weer volledig werkzaam zou zijn. Appellant zou dit werk moeten doen op de locatie waar hij voorheen ook werkzaam was. Appellant achtte zich echter niet in staat dit werk te doen. Volgens hem was hij in verband met door hem gebruikte medicatie niet in staat de ongeveer 55 km naar zijn werk met de auto af te leggen. Op 18 oktober 2016 heeft werkgeefster appellant een officiële waarschuwing gegeven in verband met het niet meewerken aan zijn re-integratie. Op 20 oktober 2016 heeft werkgeefster aan het Uwv een deskundigenoordeel gevraagd met betrekking tot het werkaanbod. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft op 11 november 2016 overleg gehad met een apotheker over de door appellant gebruikte medicijnen en de combinatie daarvan. De apotheker heeft bij dit overleg te kennen gegeven dat noch de medicijnen afzonderlijk, noch de combinatie daarvan een belemmering waren voor het met de eigen auto naar het werk gaan, mits appellant de medicatie, quetiapine en escitalopram, in de avond zou innemen. Op basis van dit overleg en de in het dossier aanwezige gegevens heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen beperkingen hoefden te worden aangenomen ten aanzien van het autorijden en dat de bedrijfsarts de medische beperkingen van appellant juist heeft ingeschat. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat de door de werkgeefster aangeboden arbeid passend was. 1.3. Bij brief van 17 november 2016 heeft werkgeefster appellant, onder verwijzing naar het deskundigenoordeel, dringend verzocht om de werkzaamheden conform het advies van de bedrijfsarts met ingang van 18 november 2016 op te pakken. Op 24 november 2016 is appellant op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. De bedrijfsarts heeft werkgeefster naar aanleiding daarvan laten weten dat er geen medische beperkingen waren om het werk te hervatten en ook geen beperkingen ten aanzien van vervoer. Medisch gezien kon appellant volgens de bedrijfsarts starten met re-integratie zoals eerder besproken en de werktijd opbouwen. Bij brief van 2 december 2016 heeft werkgeefster appellant uitgenodigd voor een re-integratiegesprek op 7 december 2016. Appellant is op die uitnodiging niet verschenen. 1.4. Op 14 december 2016 heeft werkgeefster de kantonrechter verzocht om ontbinding van de tussen appellant en werkgeefster bestaande arbeidsovereenkomst wegens een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669, derde lid, aanhef en onder e, juncto 7:671b van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat appellant al enkele maanden zonder deugdelijke grond niet voldoende meewerkte aan zijn re-integratie. Bij beschikking van 9 februari 2017 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang ontbonden. Naar het oordeel van de kantonrechter is geen sprake van een verband tussen het ontbindingsverzoek en de ziekte van appellant en is appellant ernstig tekort geschoten in de nakoming van zijn re-integratieverplichtingen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar nalaten aan de zijde van appellant en heeft daarom geen reden gezien voor een transitievergoeding en een billijke vergoeding. 1.5. Op 2 maart 2017 heeft appellant bij het Uwv een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 30 maart 2017 heeft het Uwv beslist dat appellant met ingang van 9 februari 2017 wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze wegens verwijtbare werkloosheid (gelet op een ander uitkeringsrecht: voor 10,25 uur) niet tot uitbetaling komt. Volgens het Uwv ligt aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag nu appellant is ontslagen omdat hij van zijn kant geen enkel initiatief heeft ontplooid om van zijn re-integratie een succes te maken. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.6. Bij beslissing op bezwaar van 26 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. 1.7. Bij beschikking van 26 september 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:3907) heeft het gerechtshof Amsterdam (hof) de in 1.4 genoemde beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat appellant herhaaldelijk heeft geweigerd om op en na 27 september 2016 passende werkzaamheden te verrichten en daarenboven heeft geweigerd gevolg te geven aan de oproepen van zijn werkgeefster om over zijn re-integratie een gesprek te hebben. Het niet verschijnen tijdens het gesprek op 7 december 2016, bezien tegen de achtergrond van de voortdurende weigering van appellant om in de door de werkgeefster op advies van de bedrijfsarts voorgestelde zin invulling te geven aan zijn verplichting om appellant te re-integreren, is aan te merken als een arbeidsrechtelijke dringende reden. Appellant kan hiervan een verwijt worden gemaakt. De rechtbank heeft daarbij aangetekend dat appellant geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die erop wijzen dat van hem niet kon worden gevergd dat hij hervatte in de aangeboden werkzaamheden, noch dat hij niet per auto of openbaar vervoer naar dat werk kon reizen. Dat appellant in verband met de nachtelijke uren geen gebruik zou kunnen maken van het openbaar vervoer kon de rechtbank niet volgen, nu appellant zou moeten re-integreren in dagdienst. 3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, omdat aan de werkloosheid geen dringende reden ten grondslag ligt. Volgens appellant is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat hij door zijn medicijngebruik niet in staat was om met de auto naar zijn werk te reizen, ook niet na wijziging van het tijdstip van innemen van zijn medicijnen. Hij heeft dit wel geprobeerd, maar het bleek niet haalbaar. Hij werd door de medicatie slaperig en kon zijn aandacht niet lang genoeg vasthouden. Halverwege de reis naar zijn werk is appellant gestrand. De politie en een ambulance zijn erbij geweest. Voorts is volgens appellant ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat reizen met openbaar vervoer voor appellant een te grote belasting vormde bij zijn re-integratie. Hij heeft daarbij gewezen op de reistijd van 1 uur en 23 minuten voor een enkele reis. Een re-integratieverplichting van twee uur per dag verwordt op die wijze volgens appellant tot een verplichting van vijf uur en 20 minuten. De rechtbank is ten onrechte voorbij gegaan aan de toezegging van de werkgeefster dat hij op een werklocatie in Amsterdam kon re-integreren. Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat hij inderdaad niet is verschenen op een afspraak met de bedrijfsarts op 2 november 2016, maar dat de oorzaak hiervan was dat hij op weg naar de bedrijfsarts autopech heeft gehad. Appellant heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de werkloosheid hem niet in overwegende mate valt te verwijten. Hij heeft geprobeerd zijn re-integratieverplichtingen na te komen, maar dat is niet gelukt door zijn depressieve stoornis en/of een gebrek aan medewerking van werkgeefster aan een re-integratie op een locatie in Amsterdam. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft erop gewezen dat er volgens zowel de bedrijfsarts als de verzekeringsarts geen beletsel was tegen autorijden, zodat appellant zelfstandig zijn werkplek kon bereiken. In reactie op wat appellant heeft gesteld over de reistijd met het openbaar vervoer heeft het Uwv benadrukt dat de plaats waar appellant zou moeten re-integreren dezelfde was als de plaats waar hij voor zijn ziekte werkte. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Aangezien de eerste werkloosheidsdag van appellant is gelegen ná 1 juli 2015, zijn de per die datum gewijzigde artikelen in de WW (en het BW) van toepassing. Deze bepalen het volgende. 4.1.1. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt de werknemer de verplichting op te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. 4.1.2. Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt – voor zover hier van belang – dat het Uwv een bedrag blijvend op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken. In artikel 27, elfde lid, van de WW is uiteengezet hoe het bedrag, bedoeld in het eerste lid, moet worden berekend. 4.2. Ter beoordeling ligt voor de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, nu aan zijn ontslag een dringende reden als bedoeld in artikel 6:678 van het BW ten grondslag ligt en appellant ter zake een verwijt kan worden gemaakt. 4.3. In zijn uitspraken van 7 november 2018 (onder meer ECLI:NL:CRVB:2018:3467) heeft de Raad een nieuw beoordelingskader geformuleerd voor artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid dient, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren naast de aard en ernst van de gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.