177709 WAJONG Datum uitspraak: 3 mei 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 oktober 2017, 17/1058 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft J.E. Eshuis hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft daarop gereageerd. Appellante heeft nog een reactie ingezonden. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Aan appellante, geboren op [geboortedatum] 1988, is in verband met vermoeidheidsklachten met ingang van 23 juni 2006 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Appellante heeft desgevraagd een vragenlijst Wajong ingevuld in verband met een beoordeling van haar arbeidsvermogen. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 20 april 2016 en arbeidskundig onderzoek op 16 juni 2016 heeft het Uwv bij besluit van 20 juni 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan haar Wajong-uitkering met ingang van 1 januari 2018 zal worden verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft dit bezwaar bij besluit van 13 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. In de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten is inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft haar stellingen niet onderbouwd met medische informatie of andere stukken, terwijl zij hiertoe verschillende mogelijkheden heeft, waaronder het overleggen van medische gegevens of het zelf inschakelen van een deskundige. Er is niet gebleken van concrete feiten of omstandigheden waaruit (een reële vrees voor) afhankelijkheid en partijdigheid van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) blijkt. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige, specialist op het gebied van CVS/ME. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft besloten de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 te verlagen naar 70% van het minimumloon. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijk deskundige heeft ingeschakeld, omdat de verzekeringsartsen van het Uwv geen specialist zijn op het gebied van CVS/ME. Door het Uwv is ten onrechte niet onderkend dat CVS een ernstig invaliderende ziekte is. Appellante wijst daarbij op het standpunt van de Gezondheidsraad, een rapport van cardioloog F.C. Visser van 25 juni 2020 van Stichting Cardiozorg waaruit volgt dat appellante aan een ernstige vorm van CVS/ME lijdt en naar wetenschappelijke artikelen van onder meer cardioloog C.M.C. van Campen, eveneens verbonden aan de Stichting Cardiozorg. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet zelfredzaam is en niet in staat is om op tijd op het werk te komen. Zij heeft daarbij ondersteuning nodig en er moet rekening worden gehouden met de reistijd. Geen enkele ondernemer accepteert dat een werknemer voor één deeltaakje komt werken, en dan ook nog met ondersteuning en begeleiding. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Wettelijk kader 4.1.1. Op 1 januari 2015 is artikel III, met uitzondering van de onderdelen J, K, L en N, van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Per 1 januari 2015 is ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) aangepast (Besluit van 8 oktober 2014, Stb. 2014, 359). Op grond van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 3:8a aan de Wajong toegevoegd. Op grond van artikel III, onderdeel P, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 8:10b aan de Wajong toegevoegd. 4.1.2. Op grond van artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong stelt het Uwv vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8 van de Wajong 2015. 4.1.3. Artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, 75% van de grondslag bedraagt. 4.1.4. Op 1 januari 2018 is artikel III, onderdeel N, van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Dit artikel bepaalt dat in artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong ‘75%’ wordt vervangen door: ‘70%’. 4.1.5. Op grond van artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong bedraagt in afwijking van artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong, de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, 75% van de grondslag, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. 4.1.6. Voorgaande wetsbepalingen hebben tot gevolg dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte, met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en die wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie 4.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.