← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2021:1178

Datum uitspraak: 21 mei 2021 20/207 AOW-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, 8:108, eerste lid, en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 augustus 2019, 19/1915 Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] Marokko (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54, 8:108, eerste lid, en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht van 6 augustus 2020 heeft de Raad het door verzoekster ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft verzet gedaan. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 9 april

  1. Beide partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN De Raad heeft in de uitspraak van 6 augustus 2020 het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoekster niet in verzuim is geweest. De Raad zal eerst, ambtshalve, beoordelen of het verzet ontvankelijk is. De uitspraak van de Raad is op 6 augustus 2020 per aangetekende post verzonden. De laatste dag waarop tijdig een verzetschrift kon worden ingediend, was 17 september
  2. De Raad heeft het verzetschrift op 12 januari 2021 ontvangen, blijkens de poststempel is deze op 28 december 2020 verzonden. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is daarmee overschreden. In verzet voert verzoekster aan dat zij de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2020 na 25 augustus 2020 heeft ontvangen. Ook geeft verzoekster te kennen dat zij niet begrijpt waarom zij nogmaals griffierecht moet betalen. Verder geeft verzoekster aan dat het lastig is om te voorzien in rechtsbijstand in verband met de COVID-19 omstandigheden. Vaststaat dat het verzet niet binnen de gestelde termijn is gedaan. De Raad heeft begrip voor de door verzoekster geschetste omstandigheden maar is van oordeel dat het niet onmogelijk was om binnen de gestelde termijn verzet in te dienen. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2020 op 26 augustus 2020 door verzoekster is ontvangen. Het verzetschrift is pas op 12 januari 2021 bij de Raad ontvangen, deze datum ligt ver na ontvangst van de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2020 door verzoekster. Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei
  3. (getekend) C.H. Bangma (getekend) E.M. Welling RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.