19 3257 WAJONG Datum uitspraak: 18 mei 2021 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juni 2019, 18/6942 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 14 april 2021. Appellante is verschenen, vergezeld door haar moeder en bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Riet. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1998, heeft met een door het Uwv op 13 mei 2016 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante een lichte verstandelijke beperking heeft. Bij de aanvraag is een rapport van 1 december 2015 van een psychologisch onderzoek van een orthopedagoog gevoegd. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 1 september 2016 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.2. Appellante heeft met een door het Uwv op 9 maart 2018 ontvangen formulier opnieuw een Wajong aanvraag ingediend. Daarbij is opnieuw het rapport van 1 december 2015 van de orthopedagoog overgelegd en daarnaast een verslag diagnostisch onderzoek van 8 februari 2016 van een gedragsdeskundige/orthopedagoog van Stichting MEE. Verder is een CIZ-indicatie van 8 december 2017 voor onbepaalde tijd voor het zorgprofiel VG Wonen met begeleiding en zorg voor 24 uur ingebracht. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 26 april 2018 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante arbeidsvermogen heeft. 1.3. Bij besluit van 26 september 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 april 2018 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv, dat appellante arbeidsvermogen heeft, onderschreven en overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Dat de verzekeringsarts appellante tijdens het spreekuur van 9 april 2018 zou hebben toegezegd dat zij recht zou hebben op een Wajong-uitkering als zij een indicatie voor dagbesteding zou hebben, is niet gebleken. Dit blijkt niet uit het rapport van de verzekeringsarts en ook niet uit de in beroep overgelegde e-mails. Daarbij komt dat ook als de verzekeringsarts die toezegging zou hebben gedaan, naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden gesproken van een bevoegdelijke gedane, schriftelijke, uitdrukkelijke en eenduidige toezegging, dan wel van een gerechtvaardigde verwachting op grond waarvan het Uwv was gehouden om appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft. De rechtbank heeft volgens appellante nagelaten het in beroep overgelegde verslag van Middin van 22 november 2018 van haar dagbesteding bij [naam dagbesteding] bij de beoordeling te betrekken. Appellante heeft gesteld dat hieruit blijkt dat zij gemakkelijk overschat wordt en dat zij niet zelfstandig taken kan uitvoeren en zeker niet langere tijd achter elkaar kan werken. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een artikel uit Trouw van 5 januari 2019, een werkverslag van 19 maart 2021 en een e-mail van 30 maart 2021 van een klantmanager van de gemeente Den Haag ingebracht. Appellante heeft haar beroep op het vertrouwensbeginsel gehandhaafd met de stelling dat sprake is van een gerechtvaardigde verwachting. De verzekeringsarts heeft volgens appellante op het spreekuur toegezegd dat als zij nog aanvullende gegevens over de dagbesteding zou kunnen overleggen, de Wajonguitkering zou worden toegekend. Deze gegevens heeft appellante vervolgens bij email van 9 april 2018 ingebracht. De consulente van Stichting MEE was aanwezig op het spreekuur van de verzekeringsarts en in haar brief van 7 december 2018 heeft zij verklaard dat de verzekeringsarts deze toezegging heeft gedaan. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.