202099 AKW Datum uitspraak: 20 mei 2021 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 april 2020, 19/4003 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. I.J. Janssens, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Janssens. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante woont in Nederland. Zij ontving kinderbijslag voor haar zoon [A.], geboren op [geboortedatum] 2004. Op 22 juni 2018 heeft appellante bij de Svb gemeld dat zij vanaf 14 juni 2011 werkzaam is voor een volkenrechtelijke organisatie, Special Tribunal for Lebanon (STL), te Leidschendam. Haar functie is ‘administrative assistent’ en appellante is ‘staffmember’. 1.2. Bij besluit van 8 oktober 2018 heeft de Svb het recht op kinderbijslag van appellante ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) herzien vanaf het derde kwartaal van 2011. Bij besluit van eveneens 8 oktober 2018 heeft de Svb een bedrag van € 6.990,50 aan kinderbijslag van appellante teruggevorderd. 1.3. Bij besluit van 15 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 8 oktober 2018 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante vanaf het derde kwartaal van 2011 niet meer als verzekerde voor de AKW kan worden aangemerkt. Door haar werkzaamheden voor STL valt appellante onder een besluit van een volkenrechtelijke organisatie en is andere wetgeving van toepassing. Volgens de Svb had appellante kunnen weten dat haar werkzaamheden van invloed waren op haar recht op kinderbijslag, zodat er geen dringende reden is om van herziening met terugwerkende kracht af te zien. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellante over de periode in geding niet als verzekerde voor de AKW kan worden aangemerkt. In artikel 1.1, aanhef en onder g, van de Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010 en 2015 (Aanwijzing), is STL aangewezen als volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Bub). Volgens de rechtbank kon de Svb ervan uitgaan dat het sociaal verzekeringsstelsel van STL vergelijkbaar is met het Nederlandse stelsel. Gelet op vaste rechtspraak van de Raad laat het enkele feit dat het sociale verzekeringsstelsel van STL wellicht een minder vergaande dekking geeft dan het Nederlandse stelsel, onverlet dat sprake kan zijn van vergelijkbare dekking. De rechtbank is van oordeel dat appellante niet al haar verplichtingen is nagekomen en dat zij had kunnen onderkennen dat de kinderbijslag haar ten onrechte werd verstrekt, zodat de Svb op grond van zijn beleid de kinderbijslag met volledige terugwerkende kracht heeft kunnen herzien. Er zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. 3.1. In hoger beroep heeft appelante aangevoerd dat het feit dat STL in de Aanwijzing wordt genoemd niet betekent dat het stelsel vergelijkbaar is met het Nederlandse stelsel. Volgens appellante zijn de stelsels niet vergelijkbaar, omdat het Nederlandse stelsel diverse regelingen bevat ter zake van de tegemoetkoming in de kosten van kinderen. Naast de kinderbijslag zijn dit ook het kindgebonden budget, de combinatiekorting en de kinderopvangtoeslag. De kindertoelage die appellante van STL ontving is verlaagd met de kinderbijslag. De stelsels geven geen vergelijkbare dekking. Appellante ontving al kinderbijslag voordat zij bij STL ging werken en zij is door de Svb nooit geïnformeerd over het feit dat zij het werken bij een volkenrechtelijke organisatie moest melden. Zij mocht erop vertrouwen dat zij recht had op kinderbijslag. Appellante heeft gewezen op het convenant tussen de Svb en de Belastingdienst en op de omstandigheid dat de Belastingdienst, na haar recht op kindgebonden budget in 2012 te hebben stopgezet, in 2015 een nieuwe aanvraag om kindgebonden budget heeft gehonoreerd. Voor kindgebonden budget is het recht hebben op kinderbijslag een voorwaarde. Tot slot voert appellante aan dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor haar heeft, omdat zij naast de kinderbijslag ook het kindgebonden budget moet terugbetalen. 3.2. De Svb heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Verzekeringspositie 4.1. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Svb appellante gedurende de periode in geding op juiste gronden als niet verzekerd voor de AKW heeft aangemerkt. 4.2. Artikel 32, eerste lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciaal Tribunaal voor Libanon (Zetelovereenkomst) luidt: “Indien het socialezekerheidsstelsel van het Tribunaal een dekking biedt die vergelijkbaar is met de dekking krachtens de wetgeving van het Gastland, zijn de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklager, de Griffier, het Hoofd van het kantoor van de verdediging en leden van het personeel op wie het bovenbedoelde stelsel van toepassing is vrijgesteld van de bepalingen op het gebied van sociale zekerheid van het Gastland. Zij zijn dientengevolge niet gedekt tegen de risico’s vervat in de bepalingen op het gebied van sociale zekerheid in het Gastland. Deze vrijstelling is op hen van toepassing tenzij zij betaalde werkzaamheden gaan verrichten in het Gastland.” 4.3. Voorop moet worden gesteld dat artikel 32, eerste lid, van de Zetelovereenkomst een eenieder verbindende bepaling is in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Voor zover het eigen stelsel van sociale zekerheid van STL een dekking biedt die vergelijkbaar is met de dekking krachtens het Nederlandse stelsel, dwingt de Zetelovereenkomst tot uitsluiting van de verplichte Nederlandse verzekering – voor onder meer de volksverzekeringen – van de genoemde medewerkers van STL. 4.4. Het enkele feit, dat het stelsel van sociale zekerheid van STL volgens appellante op onderdelen een minder vergaande dekking kent dan het Nederlandse stelsel, laat onverlet dat sprake kan zijn van een vergelijkbare dekking in de zin van de Zetelovereenkomst (vergelijk de uitspraak van de Raad van 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3863). Vastgesteld wordt dat het stelsel van STL in ieder geval voorziet in een meer dan verwaarloosbare kinderbijdrage. Appellante heeft van STL immers een aanmerkelijk hoger bedrag aan kindertoelage gekregen dan de kinderbijslag waarop zij als verzekerde voor de AKW aanspraak zou hebben kunnen maken. Verder kan niet zonder meer worden aangenomen dat, voor de vergelijkbaarheid van de dekking krachtens beide stelsels, de fiscale tegemoetkomingen die Nederland kent voor de verzorging van kinderen en waar appellante op heeft gewezen, mede worden begrepen onder de term ‘sociale zekerheid’ in artikel 32, eerste lid, van de Zetelovereenkomst. Hiertegen pleit dat leden van het personeel van STL op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, en vierde lid, van de Zetelovereenkomst zijn vrijgesteld van belasting op de salarissen, emolumenten en vergoedingen die ter zake van hun dienstverband bij het Tribunaal aan hen worden betaald, en van iedere vorm van belasting uit hoofde van ingezetenschap. Dat geen sprake is van vergelijkbare dekking in de zin van de Zetelovereenkomst is dus niet aannemelijk geworden. 4.5. Vanaf 3 juni 2010 behoort STL tot de volkenrechtelijke organisaties genoemd in de Aanwijzing, zodat appellante reeds op grond van artikel 14, eerste lid, van het Bub is uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen. Uit 4.4 volgt dat de regelgever, in weerwil van de stellingen van appellante, op goede gronden tot het oordeel heeft kunnen komen dat de dekking krachtens het socialezekerheidsstelsel van STL vergelijkbaar is met de dekking krachtens het Nederlandse wettelijke stelsel. Voor zover appellante met haar stelling dat de stelsels geen vergelijkbare dekking bieden, de verbindende kracht van artikel 14, eerste lid, van het Bub heeft willen aanvechten, slaagt deze grond niet. 4.6. Gelet op 4.1 tot en met 4.5 was appellante in de periode in geding uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen en dus niet verzekerd voor de AKW. Herziening 4.7. Uit artikel 14a, eerste lid, van de AKW volgt dat als de kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken indien het niet nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het verlenen van kinderbijslag tot een te hoog bedrag (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.