194520 WAJONG Datum uitspraak: 9 juni 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2019, 18/6285 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. ing. A.T. Tilburg, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van 27 maart 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 28 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Tilburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1992, heeft met een door het Uwv op 9 mei 2018 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat bij appellante in januari 2018 de diagnose ziekte van Crohn is gesteld. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 27 juli 2018 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.2. Bij besluit van 23 november 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van 27 juli 2018 gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 22 november 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat in geschil is of appellante op 9 mei 2018, de datum waarop het Uwv de aanvraag voor een Wajong-uitkering heeft ontvangen, arbeidsvermogen had. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 22 november 2018 dat appellante vier uur per dag belastbaar is en dat zij één uur aaneengesloten kan werken. Over het door appellante in beroep overgelegde rapport van 30 januari 2019 van Blenderman Advies heeft de rechtbank overwogen dat dit is opgesteld in het kader van geheel andere regelgeving en niet leidt tot de conclusie dat appellante in het kader van de Wajong niet over arbeidsvermogen beschikt. In het rapport van 26 juli 2018 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden en in staat is om een taak, zoals het invoeren van gegevens, uit te voeren in een arbeidsorganisatie. In wat appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie van de arbeidsdeskundige. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante op 9 mei 2018 beschikte over arbeidsvermogen en daarom de aanvraag van appellante terecht heeft afgewezen. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste beoordelingsdatum. Appellante heeft de aanvraag pas op 25-jarige leeftijd gedaan, zodat het een laattijdige aanvraag betreft. Volgens appellante hebben de verzekeringsartsen van het Uwv beoordeeld of appellante in haar achttiende levensjaar over arbeidsvermogen beschikte. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent volgens appellante dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat uit de medische stukken blijkt dat appellante al vanaf zestienjarige leeftijd last heeft van ernstige buikpijn- en obstipatieklachten. Ook blijkt uit de medische stukken dat bij appellante rondom de te beoordelen periode ook sprake was van ernstige psychische klachten en gedragsproblemen. Uit het rapport van Blenderman Advies blijkt dat appellante wegens haar klachten nog maar 10% van de tijd aanwezig kon zijn en hierdoor haar mbo-studie Sociaal Pedagogisch Werk helaas niet heeft kunnen afronden. Op basis van de medische gegevens van appellante over haar lichamelijke en psychische klachten en haar studie- en stageproblemen staat volgens appellante vast dat zij op haar achttiende jaar niet over arbeidsvermogen beschikte. Zij was toen niet ten minste vier uur per dag belastbaar en beschikte wegens haar psychische klachten niet over basale werknemersvaardigheden. Ter zitting heeft appellante nader toegelicht dat bij haar de diagnosen PTSS en borderline zijn gesteld. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Hoewel het Uwv de onderbouwing van appellante niet onderschrijft, is het Uwv het wel eens met het standpunt van appellante dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een geschil over de vraag of appellante op 9 mei 2018 arbeidsvermogen had. Weliswaar zou appellante niet eerder dan met ingang van 9 mei 2018 recht kunnen hebben op een Wajong-uitkering, maar de te beoordelen periode betreft de achttiende verjaardag van appellante en de vijf jaren daarna. Over de verwijzing naar het in beroep overgelegde Blenderman Advies heeft het Uwv gesteld dat appellante tegenover de verzekeringsarts een andersluidende verklaring heeft afgelegd. Tijdens het spreekuurcontact op 12 juni 2018 heeft appellante verteld dat zij in 2010 nu en dan van school verzuimde wegens haar klachten. In 2010 heeft appellante haar mbo2-diploma gehaald waarna zij aansluitend is gestart met een mbo3-opleiding. In het eerste jaar kon appellante haar lessen niet bijhouden wegens de zorgtaken voor haar oma. In 2011 of 2012 is appellante gestopt omdat zij geen stage kon krijgen wegens de vele sluitingen in de kinderopvang door bezuinigingen. Appellante heeft haar andersluidende verklaring tegenover de arts van Blenderman Advies niet onderbouwd met nadere gegevens. Ook de informatie van de huisarts geeft geen aanleiding om aan te nemen dat appellante in de periode in geding om medische redenen voor 90% van de tijd verzuimde. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onder a, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.