183111 WAJONG Datum uitspraak: 17 juni 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 april 2018, 17/7049 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.G. van Ek, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft door middel van (video)bellen plaatsgevonden op 13 januari 2021. Namens appellante is verschenen haar mentor [naam 1] , haar begeleidster bij Amarant [naam 2] en mr. Van Ek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Het onderzoek ter zitting is geschorst. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1. Appellante is geboren [geboortedatum] 1999. Zij heeft met een formulier dat het Uwv op 28 oktober 2016 heeft ontvangen een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij heeft appellante vermeld dat zij een verstandelijke handicap en een hechtingsstoornis heeft en gedragsproblematiek kent. Bij de aanvraag heeft appellante een rapport van een in februari 2016 uitgevoerd psychologisch onderzoek gevoegd. Het Uwv heeft vervolgens verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 10 februari 2017 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen, omdat appellante arbeidsvermogen heeft. Bij besluit van 21 september 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het standpunt van het Uwv dat appellante arbeidsvermogen heeft, wordt onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat appellante in staat is om één uur aaneengesloten te werken en beschikt over basale werknemersvaardigheden. De rechtbank heeft overwogen dat dit uit de praktijk ook is gebleken. Uit de in beroep ingebrachte verklaringen van Amarant blijkt niet dat appellante niet één uur aaneengesloten kan werken. Niet in geschil is dat appellante begeleiding nodig heeft bij de problemen die zij ervaart met het zich sociaal passend te gedragen. Het enkele gegeven dat appellante begeleiding nodig heeft betekent niet dat zij geen basale werknemersvaardigheden heeft. In het Compendium Participatiewet is vermeld dat zelfs als er permanent toezicht en intensieve begeleiding nodig is, arbeidsvermogen kan worden aangenomen. Van belang is wel dat de begeleiding geen substantiële onderbreking van het werkproces oplevert. Uit de stukken blijkt niet dat hiervan sprake is. De stelling van appellante dat zij steeds één op één begeleiding nodig heeft, wordt niet (nader) onderbouwd met stukken en blijkt ook niet uit de dossierstukken. Integendeel, tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts heeft appellante verklaard dat zij maar soms één op één wordt begeleid en dat er vaker één begeleider op de groep aanwezig is. De rechtbank heeft in het beroep van appellante op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) (Korošec) en financieel onvermogen zelf een deskundige in te schakelen, geen aanleiding gezien om tot benoeming van een deskundige over te gaan. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante in de gelegenheid is gesteld om ter onderbouwing van haar standpunt stukken in te brengen en dat appellante van deze mogelijkheid in beroep ook gebruik heeft gemaakt. Het beginsel van equality of arms is niet geschonden. Ook is er geen twijfel over de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij niet over arbeidsvermogen beschikt. Appellante heeft gesteld dat zij niet in staat is om gedurende ten minste een periode van een uur aaneengesloten te werken en dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Appellante heeft erop gewezen dat haar tijdens haar stage bij [naam bedrijf] alle ruimte wordt geboden om even stoom af te blazen en haar regelmatig wordt het gevraagd hoe het gaat. Dit alleen al leidt tot regelmatige onderbrekingen van het productieproces. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij moeite heeft met het accepteren van gezag, dat zij boze buien en opstandig gedrag laat zien en dat zij snel is afgeleid. Dit gedrag zal volgens appellante ook een substantiële onderbreking van het werkproces opleveren. Appellante functioneert weliswaar bij [naam bedrijf] , maar haar activiteiten daar zijn een vorm van dagbesteding. De rechtbank heeft volgens appellante verder ten onrechte niet bij haar beoordeling betrokken dat appellante niet in staat is om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen en dus niet in staat is om op tijd op haar werkplek te zijn. Volgens appellante ontbreekt het arbeidsvermogen bovendien duurzaam waarbij zij heeft gewezen op de haar toegekende CIZ-indicatie (VG6). Appellante heeft haar verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige met een beroep op het arrest Korosec en financieel onvermogen zelf een deskundige in te schakelen, herhaald. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verklaringen van 8 juli 2019 en 9 maart 2021 van een gedragskundige van Amarant en informatie van 20 juni 2019 van Amarant over het functioneren van appellante bij [naam bedrijf] ingezonden. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar rapporten van 24 februari 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 1 maart 2021 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.