182046 WAJONG Datum uitspraak: 16 juni 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 februari 2018, 17/3990 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E.V. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 4 februari 2021 heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, zich gesteld als opvolgend gemachtigde en aanvullende hogerberoepsgronden en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, via videobellen, plaatsgevonden op 26 mei 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Ait Moha. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1993, heeft in verband met een lichte verstandelijke beperking en ADHD sinds 7 mei 2014 een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 18 oktober 2016 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft of dit kan ontwikkelen. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2017 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 22 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 6 juni 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv bij de beoordeling van het arbeidsvermogen de gezinssituatie van appellante en de belasting daarvan buiten beschouwing mocht laten. Als niet wordt gekeken naar de gezinssituatie, zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen medische argumenten waaruit volgt dat appellante geen arbeidsvermogen heeft. Ook uit het advies van GZ‑psycholoog G. Oomkens van 22 september 2017 blijkt dit niet. Het standpunt van het Uwv dat appellante arbeidsvermogen heeft, heeft de rechtbank daarom onderschreven. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij geen arbeidsvermogen heeft, zodat zij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante in hoger beroep haar dossiers van haar voormalige en huidige huisarts en een rapport van een psychologisch onderzoek van september 2009 overgelegd. Verder heeft zij nogmaals verwezen naar het advies van GZ-psycholoog Oomkens van 22 september 2017, waarin staat dat het risico bestaat dat appellante overbelast raakt als zij naast de zorg voor haar kinderen en haar huishouden zou moeten werken. Omdat er volgens appellante verschil van inzicht over haar medische situatie bestaat, heeft zij verzocht om een onafhankelijk deskundige in te schakelen. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Appellante heeft er op gewezen dat de rechtbank geen uitstel van de zitting heeft gegeven naar aanleiding van haar bericht dat zij een advocaat had gevonden om haar bij te staan. Wat hiervan verder ook zij, de Raad stelt vast dat appellante in de procedure in hoger beroep van meet af aan voorzien is geweest van professionele rechtsbijstand. Ter zitting van de Raad heeft appellante niet duidelijk gemaakt welke toegevoegde waarde een eventuele hernieuwde behandeling van haar zaak bij de rechtbank nog zou kunnen hebben. De Raad concludeert dat, voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat het verlenen van uitstel in de rede had gelegen, niet kan worden gezegd dat appellante, die met een begeleider op de zitting van de rechtbank aanwezig is geweest, door het niet verlenen daarvan dusdanig in haar processuele belangen is geschaad dat terugwijzing van haar zaak naar de rechtbank zou moeten plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt dus niet. 4.2. Appellante ontvangt inkomensondersteuning op grond van artikel 2:40 van de Wajong, zoals deze bepaling sinds 1 januari 2015 geldt, de zogeheten werkregeling. Als gevolg van een wijziging van artikel 2:40 van de Wajong is de hoogte van de inkomensondersteuning voor alle jonggehandicapten in de werkregeling per 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van de grondslag. Het Uwv heeft uit eigen beweging beoordeeld of appellante niet inmiddels als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van artikel 2:45 van de Wajong 2015 is aan te merken. In dat geval zou appellante recht hebben op de zogeheten uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en zou de Wajong-uitkering na 1 januari 2018 75% van de grondslag bedragen. 4.3. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2015 de jonggehandicapte die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Onder duurzaam wordt ingevolge het tweede lid verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. 4.4. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.