182132 WAJONG Datum uitspraak: 30 juni 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2018, 17/3772 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. de Jong. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.A. Put. Het onderzoek ter zitting is geschorst. Appellant en het Uwv hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 2 juni 2021. Partijen hebben aan de zitting deelgenomen via beeldbellen. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. de Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Sjoer. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1977, heeft sinds 12 januari 2008 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 7 maart 2017 vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2018 is verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 24 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 7 maart 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen aanleiding is om het medisch en arbeidskundig onderzoek van het Uwv voor onjuist te houden. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen arbeidsvermogen heeft, zodat hij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een Wajong-uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Appellant is van mening dat hij vanwege zijn dagelijks ondervonden lichamelijke en psychische klachten ten gevolge van Niet aangeboren hersenletsel (NAH), longaandoeningen, psychische aandoeningen, strabismus, de ziekte van Graves en een pijn- en vermoeidheidssyndroom niet vier uur per dag, een uur aaneengesloten een taak kan verrichten. Het Uwv heeft de gevolgen van de NAH na een ongeval in 1993 onvoldoende meegewogen. Appellant herkent zich volledig in de beschrijving door onder meer de Hersenstichting van bij NAH voortkomende verschijnselen. Gelet op deze verschijnselen plaatst appellant ook grote vraagtekens bij het standpunt van het Uwv dat hij beschikt over basale werknemersvaardigheden. Hij kan niet functioneren in een arbeidsorganisatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met zijn standpunt over de met verslaving samenhangende inactiviteit van appellant voorts miskend dat de verslaving van appellant momenteel een gegeven is dat als uitgangspunt bij de beoordeling moet worden genomen in die zin dat appellant voorlopig niet vier uur per dag belastbaar is. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar onder meer een urgentieverklaring voor een traploos te bereiken woning, de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor hulp in de huishouding op grond van de Wmo 2015 en meerdere stukken vanuit de behandelend sector. Appellant heeft de Raad gevraagd een deskundige in te schakelen. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op 1 januari 2018 mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.