19/1286 WAJONG, 19/1287 WAJONG Datum uitspraak: 7 juli 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 maart 2019, 18/1615 en 18/1616 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van (video)bellen op 26 mei 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F.H.H. Fuchs. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedag] 1990, heeft met een door het Uwv op 13 december 2017 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante depressieve klachten, PTSS-klachten en een angststoornis heeft. Bij de aanvraag is een intakeverslag gevoegd van de behandelend GZ-psycholoog van 13 september 2016. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 25 januari 2018 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante arbeidsvermogen heeft. Bij afzonderlijk besluit van 25 januari 2018 heeft het Uwv appellante een Indicatie banenafspraak toegekend, omdat appellante niet het minimumloon kan verdienen. 1.2. Bij afzonderlijke besluiten van 5 juli 2018 (bestreden besluiten) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de beide besluiten van 25 januari 2018 ongegrond verklaard. Aan de bestreden besluiten liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het verzekeringgeneeskundig onderzoek in eerste instantie niet is uitgevoerd door een verzekeringsarts, maar dat dit gebrek is hersteld in bezwaar met het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van de vier voorwaarden voor het al dan niet hebben van arbeidsvermogen rekening is gehouden met de omgevingsfactoren. Zo moet sprake zijn van een hoge voorspelbaarheid in de te verrichten taken en de omstandigheden waarin deze worden verricht. Ook is naar het oordeel van de rechtbank onderkend dat de noodzakelijke sociale contacten beperkt moeten blijven tot mensen in een werksetting die appellante goed kent. Het vervoer van en naar het werk moet verder gebeuren in een hoge mate van voorspelbaarheid en vertrouwdheid. Tot slot is appellante volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangewezen op coachende begeleiding. Appellante heeft geen (nieuwe) medische informatie overgelegd die doet twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante, als aan de omgevingsfactoren is voldaan, structureel kan voldoen aan de voorwaarden voor het hebben van arbeidsvermogen. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar ten onrechte geen Wajonguitkering is toegekend en een indicatie banenafspraak is toegekend. Volgens appellante is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft weliswaar de hoorzitting bijgewoond, maar heeft geen apart psychisch onderzoek verricht. Op de hoorzitting is over de beperkingen van appellante gesproken, maar dit was in het bijzijn van vele personen en zij was daardoor geremd. Dit onderzoek kan daarom niet als een volwaardig medisch onderzoek gelden. Appellante heeft gesteld dat haar psychische klachten zijn onderschat. Appellante heeft geen benutbare mogelijkheden, omdat zij nauwelijks functioneert op micro-, meso en macroniveau, nagenoeg geen sociale contacten heeft, zich opsluit en in het donker alleen onder begeleiding naar buiten durft. Appellante heeft aangevoerd dat niet gemotiveerd is hoe rekening is gehouden met haar angsten en met de vervoersproblematiek. Ter ondersteuning van haar hoger beroep heeft appellante een diagnostisch rapport van maart 2019 en een afsluitbrief van augustus 2019 van Lionarons GGZ, een afsluitbrief van 11 december 2019 van de behandelend GZ-psycholoog en een rapport van een psychologisch onderzoek van 19 augustus 2020 van Annex ingebracht. Appellante heeft er op gewezen dat haar behandelend psycholoog te kennen heeft gegeven dat ondanks langdurige en intensieve behandeling door meerdere hulpverleners ernstige problematiek blijft bestaan waardoor arbeid niet tot de mogelijkheden behoort. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. In reactie op de in hoger beroep overgelegde medische stukken heeft het Uwv een rapport van 12 juni 2020 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b. Op grond van het derde lid wordt de ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van van het eerste lid, onderdeeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.