19 3664 WAJONG Datum uitspraak: 7 juli 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 augustus 2019, 18/206 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van (video)bellen op 26 mei 2021. Namens appellant is mr. Brauer verschenen, bijgestaan door. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedag] 1981, heeft met een door het Uwv op 18 april 2017 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 4 juli 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellant arbeidsvermogen heeft. 1.2. Bij besluit van 9 januari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de onderzoeken van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen van het Uwv zorgvuldig zijn geweest. De verzekeringsartsen hebben inzichtelijk gemotiveerd welke beperkingen appellant heeft. Appellant heeft in beroep geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat het Uwv is uitgegaan van te weinig beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht gesteld dat appellant geen energetische problemen of ernstig psychiatrische problemen heeft waardoor hij niet minstens vier uur per dag belastbaar zou zijn. Dat appellant niet in staat is om langer dan tien minuten aan een stuk iets te doen, blijkt niet uit de informatie van PsyQ. Uit het arbeidsverleden van appellant blijkt dat hij vanaf 2011 tot maart 2017 heeft gewerkt als chauffeur zodat hij in staat is om een uur aaneengesloten werk te verrichten. Ook de bedrijfsarts heeft op 16 juni 2017 in het kader van de beoordeling van de ziekmelding van 14 maart 2017 geconcludeerd dat appellant arbeidsmogelijkheden heeft en aangepast werk kan verrichten. Er is daarom geen grond om appellant te volgen in zijn stelling dat hij niet in staat was om gedurende een periode van een uur aaneengesloten te werken en niet voor tenminste vier uur per dag belastbaar te zijn. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de arbeidsdeskundigen toereikend hebben onderbouwd dat appellant, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie, zoals het vullen van een afwasmachine en dat hij beschikt over basale werknemersvaardigheden. Uit het arbeidsverleden van appellant blijkt dat hij vanaf 2011 tot maart 2017 heeft gewerkt als chauffeur zodat ook daaruit blijkt dat hij beschikt over basale werknemersvaardigheden. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op achttienjarige leeftijd geen arbeidsvermogen had. Daarnaast heeft hij gesteld dat het Uwv ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar zijn medische situatie vijf jaar en tien jaar na zijn achttiende. Appellant heeft cognitieve problemen en serieuze psychiatrische en lichamelijke problematiek. Het Uwv heeft deze problemen los van elkaar beoordeeld, terwijl het de combinatie van problemen is die het geheel erger maken. Appellant heeft aangevoerd dat hij zonder regelmatige begeleiding en laagdrempelige dagbesteding zaken als schoolgang en zelfstandig wonen niet aankan en dat een dergelijke begeleiding in een werksituatie niet is te krijgen. Appellant heeft er op gewezen dat hij diverse keren heeft geprobeerd te werken, in eenvoudige arbeid, maar dat nooit heeft kunnen volhouden. Ook het werk als chauffeur schoolvervoer voor enkele uren per week heeft hij niet kunnen volhouden. Het Uwv heeft ten onrechte gesteld dat appellant pas is uitgevallen voor dit werk nadat het schema werd omgegooid. Inderdaad kan appellant geen schemawisselingen aan, maar toen hij het werk deed was hij daarvoor ook niet geschikt, omdat hij tussendoor langs zijn woning reed om naar het toilet te gaan en de kinderen dan alleen in het busje achterliet, wat onverantwoord was. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b. Op grond van het derde lid wordt de ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van van het eerste lid, onderdeeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.