← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2021:1669

Datum uitspraak: 6 juli 2021 21/1497 PW-VV Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen: Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (college) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 april 2021, 20/1392 en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn onder meer de artikelen 8:81, 8:82 en 8:83 van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Ingevolge artikel 8:81 in samenhang met artikel 8:104 van de Awb, kan indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Artikel 8:82, eerste lid, van de Awb bepaalt dat van de verzoeker een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:82, derde lid, is artikel 8:41, derde tot en met zesde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee weken bedraagt. Verzoeker heeft de Raad verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Uit de door verzoeker overgelegde inkomensgegevens blijkt dat hij vanaf augustus 2020 bijstand naar de norm van een alleenstaande ontvangt. Het netto-inkomen waarover verzoeker maandelijks kan beschikken bedraagt meer dan 95% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. Het verzoek om vrijstelling heeft de griffier bij brief van 25 mei 2021 afgewezen. Bij brief van 26 mei 2021 heeft de griffer verzoeker erop gewezen dat hij ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 134,-, is verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief moet zijn voldaan. Bij aangetekende brief van 10 juni 2021 heeft de griffier verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening moet zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant op het bezoekadres van de Raad moet zijn betaald. Daarbij heeft de griffier er op gewezen dat overschrijding van die termijn er toe kan leiden dat het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk wordt behandeld. Ook binnen die termijn heeft verzoeker het griffierecht niet betaald. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet dan ook kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2021. (getekend) A.J. Schaap (getekend) P.A.M. Hulsdouw

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.