20 119 WAJONG Datum uitspraak: 8 juli 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2019, 18/6009 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B.M. Voogt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni
(1601)passend is voor appellante. In wat appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien dat de conclusie van het Uwv dat appellante een taak zoals hiervoor is vermeld kan uitoefenen, onjuist is. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunten herhaald dat zij in verband met incontinentie van urine en feces niet gedurende vier uur per dag belastbaar is met arbeid, dat zij geen taak in een arbeidsorganisatie kan verrichten en dat het gebrek aan arbeidsvermogen duurzaam is. Appellante heeft verzocht om benoeming van een deskundige. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
- a)geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (
- b)niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (
- c)niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (
- d)niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286. 4.2. In geschil is de vraag of appellante arbeidsvermogen had op 7 mei 2015, de dag dat zij achttien jaar is geworden. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat appellante geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. 4.3. In de nota van toelichting bij het met ingang van 1 januari 2015 gewijzigde Schattingsbesluit (Staatsblad 2014, 359, p. 5 e.v.) worden deze voorwaarden als volgt toegelicht. 4.3.1. Een taak is de kleinste eenheid van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen. Om de betreffende taak te kunnen uitvoeren moet iemand voldoen aan de taakspecifieke eisen uit de taakomschrijving. 4.3.2. Onder ten minste vier uur dag belastbaar wordt verstaan dat iemand in staat is vier uur per dag te werken. Bij een belastbaarheid van minder dan vier uur per dag is iemand te weinig productief om nog van arbeidsvermogen te spreken. 4.4. Het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest, wordt gevolgd. Dit geldt ook voor het oordeel dat geen aanleiding is te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geoordeeld dat op grond van alle informatie er medisch gezien, zowel op energetische basis als op basis van beschikbaarheid en preventief, geen reden is om aan te nemen dat appellante niet in staat kan worden geacht om tenminste vier uur per dag, al dan niet verspreid over de dag, passende arbeid te verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij opgemerkt dat bij appellante geen medisch substraat bestaat voor haar inactiviteit en dat geen sprake is van een stoornis in de energiehuishouding. Ook is er geen grond voor beperking van de duurbelastbaarheid op preventieve gronden. Verder bestaat geen noodzaak om appellante bij te sturen gedurende het productieproces, omdat niet is gebleken van (ernstige) psychische problemen, dus is geen sprake van meermaals een substantiële onderbreking van het productieproces. Een noodzaak van regelmatig toiletbezoek is geen aspect dat bij de beoordeling van de voorwaarde van artikel 1a, eerste lid en onder c, van het Schattingsbesluit moet worden betrokken. Medisch gezien bestaat er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen indicatie voor een urenbeperking zolang de activiteiten passend zijn en dus voldoen aan de gestelde voorwaarden. 4.5. Voor het benoemen van een deskundige bestaat dan ook geen aanleiding. Het feit dat verzekeringsartsen eerder hebben geconcludeerd tot het ontbreken van arbeidsvermogen is daarvoor geen reden, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft toegelicht dat die verzekeringsartsen het beoordelingskader niet juist hebben toegepast. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van de heroverweging deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd waarom hij tot een andere conclusie is gekomen. Tegenover dit oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante geen informatie ingebracht, die aanleiding geeft tot twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. 4.6. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 16 oktober 2018 en 27 mei 2019 beschreven aan welke voorwaarden de fysieke en sociale werkomgeving moet voldoen wil appellante hierin kunnen functioneren. Vanwege de schaamte- en angstgevoelens van appellante en haar mijdingsbedrag zijn als voorwaarden voor de sociale werkomgeving vermeld dat appellante extra aandacht krijgt van de leidinggevende, geen ongewenste en ongevraagde feedback krijgt en kan werken in een sociale en begripvolle werksfeer. Als voorbeeld van een geschikte werksoort is ‘eenvoudig administratief werk’ genoemd en als taak die appellante kan uitvoeren het ‘invoeren van gegevens’. De werksoort en taak zijn passend geacht, omdat het werk zittend wordt verricht, er een toiletvoorziening in de buurt van de werkplek is en de leidinggevende in de nabijheid een werkplek heeft. Appellante beschikt verder over voldoende vaardigheden en bekwaamheden om de taak uit te voeren. Voor het standpunt van appellante dat in de voor haar geschikt geachte werksoort en taak regelmatig zal voorkomen dat niet zal worden voldaan aan de voorwaarden voor de sociale werkomgeving, bestaat geen grond. Dergelijke voorwaarden zijn niet zo bijzonder dat hieraan in een normale administratieve werkomgeving niet zou kunnen worden voldaan. 4.7. Appellante heeft geen gronden aangevoerd tegen het standpunt van het Uwv dat zij over basale werknemersvaardigheden beschikt en aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur. Deze voorwaarden behoeven daarom geen verdere bespreking. 4.8. Gelet op 4.4, 4.5 en 4.6 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellante op de in geding zijnde datum beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. De vraag naar de duurzaamheid kan daarom onbeantwoord blijven. 4.8. De overwegingen in 4.4 tot en met 4.8 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2021. (getekend) M.E. Fortuin (getekend) L. Winters