Datum uitspraak: 9 juli 2021 21/165 ANW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2020, 19/2906 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 20 januari 2020 in afschrift aan partijen toegezonden. Het hoger beroepschrift is op 6 januari 2021 bij de rechtbank, en op 7 januari 2021 bij de Raad, ontvangen. Het is, gezien de poststempel op de enveloppe, op 16 december 2020 ter post bezorgd. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend. Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend hoger beroepschrift blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Appellante heeft als reden voor de termijnoverschrijding aangegeven dat zij lange tijd in [gemeente] is geweest onder meer in verband met een zieke tante. Door de COVID-19 maatregelen kon zij niet eerder naar haar woonplaats terugkeren. Om deze redenen heeft zij haar aangetekende post niet kunnen ophalen. Appellante heeft in haar brief van 27 februari 2021 te kennen gegeven dat zij analfabeet is en dat zij afhankelijk is van derden. Wat appellante heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. In situaties als de onderhavige geldt het uitgangspunt dat het risico dat het hoger beroep niet tijdig is ingediend, volledig voor rekening komt van de partij die het hoger beroep instelt. Appellante had een derde kunnen inschakelen om haar belangen te behartigen en om haar post bij te houden. Om de termijn veilig te stellen had vervolgens tijdig pro forma hoger beroep kunnen worden ingesteld. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2021. (getekend) D.S. de Vries (getekend) K.R. van Renswoude Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.