← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2021:1740

19848 ANW Datum uitspraak: 14 juli 2021 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het onder nummer 19/848 ANW geregistreerde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2019, 18/4859 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats], Turkije (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld dat is geregistreerd onder nummer 19/848 ANW. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 31 mei 2021 en 1 juni 2021 heeft de Svb nadere informatie verstrekt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni

  1. Appellante is verschenen bij mr. Gürses. De Svb heeft zich, zoals tevoren aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen. Naar aanleiding van de door de Svb bij brieven van 31 mei 2021 en 1 juni 2021 verstrekte nadere informatie is het hoger beroep van appellante ter zitting ingetrokken. Daarbij is aan de Raad verzocht ten laste van de Svb een proceskostenveroordeling uit te spreken. OVERWEGINGEN De Svb heeft bij besluit van 1 november 2017 de uitbetaling geschorst van de aan appellante toegekende nabestaandenuitkering. Deze beslissing is bij besluit op bezwaar van 21 juni 2018 gehandhaafd. Het beroep daartegen is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Bij brief van 31 mei 2021 heeft de Svb aan de Raad meegedeeld dat ingevolge een besluit van 3 juni 2020 de uitbetaling van de aan appellante toegekende nabestaandenuitkering met volledige terugwerkende kracht is hervat. Bij brief van 1 juni 2021 heeft de Svb op verzoek van de Raad een kopie overgelegd van bedoeld besluit van 3 juni
  2. In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. Het hoger beroep van appellante is ingetrokken naar aanleiding van de bij brieven van 31 mei 2021 en 1 juni 2021 door de Svb verstrekte nadere informatie. Naar het oordeel van de Raad is er in dit geval echter geen sprake van het geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan appellante in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. De Svb is zich onverkort op het standpunt blijven stellen dat het gehandhaafde schorsingsbesluit correct was. De Raad onderschrijft dit standpunt. Daartoe is overwogen dat de Svb al op basis van de bevindingen voorafgaand aan het huisbezoek van 23 oktober 2017 een gegrond vermoeden kon hebben dat het recht op uitkering niet meer bestond. Uit het bovenstaande volgt dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 8:75a van de Awb om de Svb te kunnen veroordelen in de proceskosten die appellante heeft gemaakt in beroep en in hoger beroep. Verder kan de Svb ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb niet worden veroordeeld in de proceskosten die appellante heeft gemaakt in de bezwaarfase, omdat het schorsingsbesluit van 1 november 2017 niet is herroepen wegens aan de Svb te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek om de Svb te veroordelen in de proceskosten moet worden afgewezen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om veroordeling van de Svb in de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum en M. Wolfrat en A. Venekamp als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli
  3. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) M.E. van Donk

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.