191494 AWBZ Datum uitspraak: 21 juli 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 maart 2019, 18/967 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) Zorgkantoor Friesland B.V. (zorgkantoor) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L.A.M. van der Geld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, door middel van beeldbellen, plaatsgevonden op 28 april 2021. Appellant en mr. Van der Geld hebben aan de zitting deelgenomen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant kampt vanaf zijn geboorte met een spastische linker lichaamshelft. Daarnaast is hij bekend met een verstandelijke handicap, psychiatrische problematiek en pseudo epilepsie. Het zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 55.621,17 voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). 1.2. Bij besluit van 1 november 2017 heeft het zorgkantoor het pgb voor 2014 vastgesteld op € 8.624,46 en van appellant een bedrag van € 46.996,71 teruggevorderd. 1.3. Bij besluit van 25 januari 2018 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2017 ongegrond verklaard. Het zorgkantoor heeft de verantwoorde bedragen goedgekeurd tot het bedrag voor persoonlijke verzorging en de toeslag ZZP als opgenomen in de verleningsbeschikking. Het resterende bedrag heeft het zorgkantoor afgewezen, omdat de verleende zorg voor een deel geen AWBZ-zorg is en voor het overige onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat, en in welke omvang, sprake is geweest van begeleiding die als AWBZ-zorg kan worden gekwalificeerd. Bij een afweging van de betrokken belangen heeft het zorgkantoor geen aanleiding gezien om geen gebruik te maken van de bevoegdheden om het pgb lager vast te stellen en de onverschuldigd betaalde voorschotten van appellant terug te vorderen. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 22 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2866. Daarin heeft de Raad geoordeeld dat de door De Holist in 2013 verleende zorg niet kan worden aangemerkt als zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, aanhef en onder j of k, van de Rsa nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat de geboden zorg voor een deel geen AWBZ-zorg is en de stukken, betreffende het overige deel, geen eensluidende, duidelijke en concrete beschrijving bieden van de aan appellant verleende zorg en of en hoe de geboden activiteiten in dienst staan van de met de indicatie beoogde doelen. Naar het oordeel van de rechtbank is ook de over 2014 verstrekte informatie niet eenduidig en concreet zodat ook voor het jaar 2014 onvoldoende is komen vast te staan dat de door De Holist geboden begeleiding (wel) is aan te merken als AWBZ-zorg. De rechtbank kan zich verenigen met de door het zorgkantoor verrichte belangenafweging. Het had volgens de rechtbank op de weg gelegen van appellant om zich beter te informeren over de vraag of de (te verlenen) zorg voor vergoeding in aanmerking kwam dan wel een derde in te schakelen om te helpen bij de verantwoording. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de terugvordering zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor appellant. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde gegevens en de gegeven uitleg voldoende duidelijk maken dat De Holist groepsbegeleiding en individuele begeleiding in de zin van de AWBZ aan hem heeft verleend, zodat het hele pgb is besteed aan AWBZ-zorg. Gezien het tijdsverloop en de beperkingen van appellant is het voor hem niet mogelijk om meer specifieke informatie aan te leveren. Hij heeft alle stukken overgelegd die redelijkerwijs van hem verlangd konden worden. Het zorgkantoor had zelf meer onderzoek moeten doen en gerichte informatie moeten verstrekken dan wel een huisbezoek moeten verrichten. Verder heeft appellant gesteld dat het bestreden besluit onaanvaardbare gevolgen voor hem heeft. Het is voor appellant, gezien zijn inkomen en het ontbreken van zicht op verbetering daarvan, onmogelijk om te voldoen aan de terugvordering. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Het zorgkantoor heeft zich in het bestreden besluit terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat op grond van de beschikbare stukken de verleende zorg die is verantwoord als begeleiding groep niet kan worden gekwalificeerd als AWBZ-zorg. Ook de verleende begeleiding bij rouwverwerking heeft het zorgkantoor terecht niet aangemerkt als begeleiding in de zin van de AWBZ. Reeds daarmee staat vast dat het pgb niet volledig is besteed aan AWBZ-zorg zodat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 2.6.9, eerste lid, onder a, van de Rsa. Het zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. 4.2. Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij die lagere vaststelling een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de verzekerde onevenredige uitkomst. Bij die afweging moet worden gekeken naar het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.