19 5372 WAJONG Datum uitspraak: 21 juli 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 november 2019, 19/2143 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. van der Veen hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2021. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door R.E.J.P.M. Rutten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren [geboortedatum] , heeft met een door het Uwv op 20 april 2018 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante te maken heeft met psychische klachten waaronder stressklachten en autisme. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van het GGz Breburg en MEE Brabant Noord. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht waarbij is vastgesteld dat appellante geen basale werknemersvaardigheden heeft maar deze situatie niet duurzaam is. Bij besluit van 6 juli 2018 heeft het Uwv appellante niet in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering. 1.2. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, anders dan de primaire arts, wel aangenomen dat appellante basale werknemersvaardigheden heeft. Hierdoor heeft het Uwv zijn motivering gewijzigd en geconcludeerd dat appellante arbeidsvermogen heeft. Bij besluit van 28 maart 2019 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juli 2018 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat voldaan is aan de criteria voor het aannemen van arbeidsvermogen. Appellante wordt in staat geacht om (met begeleiding van een jobcoach) een eenvoudige taak, zoals handmatig afwassen of inpakken, uit te voeren. Aan de verklaringen ter zitting van de begeleidster [naam] heeft de rechtbank niet de door appellante gewenste waarde toegekend. Deze informatie zag merendeels niet op de datum in geding en bovendien is deze begeleidster geen (verzekerings)arts of arbeidsdeskundige. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat geen recht bestaat op een Wajong-uitkering. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake is van arbeidsvermogen. Volgens appellante is het nalatig van het Uwv om de ouders van appellante en de begeleiders niet naar hun ervaringen te vragen. Zij zijn namelijk bij uitstek ervaringsdeskundigen die appellante door en door kennen en weten waartoe appellante wel en niet in staat is. Appellante doet zich bij externe contacten beter voor dan dat ze is. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.