18601 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 december 2017, 17/1539 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 29 juli 2021 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E.J. Luursema, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Luursema en haar vader. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft psychiater I.S. HernandezDwarkasing als onafhankelijke deskundige benoemd. De deskundige heeft op 3 november 2020 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze gegeven op het rapport. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedag] 1998, heeft met een op 9 augustus 2016 door het Uwv ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij haar aanvraag is een dyslexieverklaring gevoegd en informatie van het Autisme Team Noord Nederland (ATN)/Jonx, die ziet op diagnostiek van een autismespectrumstoornis en op een intelligentieonderzoek. Ook heeft zij een intakeverslag van ATN/Jonx bijgevoegd en informatie van een revalidatiearts. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 3 november 2016 de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante arbeidsvermogen heeft. 1.2. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarbij een brief van ATN/Jonx en een verslag van een ambulant multifocaal begeleider overgelegd. Bij besluit van 21 april 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daaraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2.1. In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij niet over arbeidsvermogen beschikt en dat er ook geen ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een rapport van 11 september 2017 van verzekeringsarts H.J. Hullen van medisch adviesbureau Wolthuis overgelegd. Hullen heeft daarin geconcludeerd dat appellante geen arbeidsvermogen heeft, omdat zij een voortdurende intensieve begeleiding nodig heeft en zonder deze begeleiding niet komt tot doelgerichte handelingen die enige economische waarde hebben. Appellante is volgens Hullen niet in staat één uur aaneengesloten te werken zonder substantiële onderbrekingen. Ook ontbreekt het haar aan werknemersvaardigheden. Deze situatie is naar de mening van Hullen duurzaam. 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op grond van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig en navolgbaar gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat appellante arbeidsvermogen heeft. Het rapport van Hullen heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht, omdat het door Hullen in zijn rapport geschetste beeld volgens de rechtbank niet wordt ondersteund door de stukken. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat appellante veel en wellicht permanent toezicht en adequate begeleiding nodig heeft, maar is tot het oordeel gekomen dat onvoldoende is komen vast te staan dat dit leidt tot een meer dan substantiële onderbreking van het productieproces. De rechtbank heeft in dat kader waarde gehecht aan de in bezwaar ingebrachte verklaringen van de arts en klinisch neuropsycholoog van Jonx en de omstandigheid dat appellante haar VMBO-TL-diploma heeft behaald en gedurende anderhalf jaar een MBO-opleiding heeft gevolgd. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen heeft ten gevolge van haar autismespectrumstoornis (ASS) en ADD. Daarnaast heeft zij na haar geboorte een hersenbloeding gehad, waarvan zij restgevolgen ervaart en is zij dyslectisch. Ook heeft zij lichamelijke beperkingen, die onder meer verband houden met spitsvoeten. Appellante heeft aangevoerd dat zij permanent toezicht nodig heeft, wat in de praktijk leidt tot een meer dan substantiële onderbreking van het productieproces. De rechtbank heeft de conclusies van de door appellante ingeschakelde deskundige ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd ter zijde geschoven. De betekenis van het volgen van onderwijs is overschat en de verklaringen van de arts en klinisch neuropsycholoog van Jonx zijn onjuist uitgelegd. Hiertoe heeft zij verwezen naar een brief van deze arts van 8 maart 2018. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt, heeft appellante onder meer verwezen naar een in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning afgegeven indicatie voor beschermd wonen van 19 februari 2018, het onderliggende onderzoeksverslag van 21 december 2017, een rapport van Jongeren Ambulant, een rapport van Werkbureau Rijk van Nijmegen, een brief van het Leo Kannerhuis van 8 maart 2018 en een CIZ-indicatiebesluit van 26 augustus 2020 (wonen met intensieve begeleiding, verzorging) overgelegd. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 maart 2020. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.