202431 AKW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2020, 20/347 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te Amsterdam (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 22 juli 2021 Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum Griffier: M. Buur Ter zitting is via videobellen verschenen: mr. M.I. L’Ghdas BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. 1.
- Appellant heeft op 15 januari 2019 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd ten behoeve van zijn kind [A.]. [A.] woonde tot 25 september 2018 bij zijn moeder in Marokko en vanaf die datum bij appellant in Nederland. 1.
- In het besluit van 20 maart 2019 heeft de Svb kinderbijslag aan appellant toegekend vanaf het eerste kwartaal van
- Hierbij is in aanmerking genomen dat appellant over het eerste tot en met het derde kwartaal van 2018 voldeed aan de onderhoudseis. Vanaf het vierde kwartaal van 2018 krijgt appellant kinderbijslag voor een thuiswonend kind. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat hij kinderbijslag wil ontvangen met een langere terugwerkende kracht dan één jaar. 1.
- In het besluit van 5 december 2019 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft geconcludeerd dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan met ingang van de eerste dag van het eerste kwartaal van 2018 en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
- Appellant heeft gesteld dat hij door psychische klachten bepaalde medicatie gebruikt waardoor hij vergeetachtig is. Hierdoor heeft hij vergeten eerder een aanvraag om kinderbijslag in te dienen. Met het oog op de recente ontwikkelingen met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel, is er volgens appellant ruimte om in zijn specifieke geval het recht op kinderbijslag met een terugwerkende kracht van vijf jaar te beoordelen. Appellant beperkt zijn aanspraak op kinderbijslag tot de periode tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2016 toen het “oude” artikel 14, derde lid, van de AKW nog van toepassing was.
- De Raad is het eens met de rechtbank. Appellant heeft zijn aanvraag voor het eerst gedaan op 15 januari 2019, waardoor het sinds 1 januari 2016 gewijzigde artikel 14, derde lid, van de AKW van toepassing is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat op grond van die dwingendrechtelijke bepaling het recht op kinderbijslag niet vroeger in kan gaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend. De mogelijkheid om in bijzondere gevallen een uitzondering te maken is sinds 1 januari 2016 niet meer in artikel 14 van de AKW opgenomen. Artikel 14, derde lid, van de AKW biedt geen ruimte voor een belangenafweging en toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Gelet op de informatie in het dossier en wat nog ter zitting naar voren is gebracht is geen sprake van zulke bijzondere omstandigheden dat hiervan moet worden afgeweken. De Svb was dus niet bevoegd aan appellant kinderbijslag toe te kennen voorafgaande aan het eerste kwartaal van
- Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) M. Buur (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep