195086 WW-PV Datum uitspraak: 21 juli 2021 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2019, 19/681 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeesters en wethouders van Delft (college) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Zitting hebben: A.I. van der Kris als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.M. Rijnbeek als leden Griffier: L.R. Kokhuis Ter zitting zijn verschenen: mr. T. Koomen (advocaat) namens het college, mr. drs. F.A. Steeman namens het Uwv en betrokkene en zijn gemachtigde mr. H.A. Groeneveld BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Bij besluit van 12 juli 2018 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 1 maart 2018 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Het door het college tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 19 december 2018 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vervolgens het beroep van het college tegen dit besluit ongegrond verklaard. In deze zaak is de vraag aan de orde of betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b van de WW en dus of de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van betrokkene. De overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven, specifiek de overweging 5.2 en 5.3 van de aangevallen uitspraak en de conclusie die de rechtbank daaraan in overweging 6 heeft verbonden. De rechtbank heeft overwogen dat in deze situatie, die is uitgemond in instemming van betrokkene met een beëindiging van zijn dienstbetrekking, niet kan worden gesproken van een ontslag op verzoek van betrokkene. Dat betrokkene heeft ingestemd met het toepassen van het door het college voorgestelde artikel 8:1 van de CAR maakt dit niet anders. Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat het ontslagverzoek in de context moet worden bezien, temeer omdat een dergelijk verzoek de uitkomst kan zijn van een onderhandeling tussen de werkgever en de werknemer over de voorwaarden waaronder een door de werkgever gewenste beëindiging van de dienstbetrekking zijn vorm krijgt. Uit de door de rechtbank geschetste omstandigheden blijkt dat in dit geval het initiatief om te komen tot een vaststellingsovereenkomst afkomstig is van het college en niet van betrokkene. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) L. Kokhuis (getekend) A.I. van der Kris
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.