203416 AOW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 september 2019, 18/6380 AOW-V Partijen: [verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank Datum uitspraak: 13 augustus 2021 PROCESVERLOOP Verzoeker is het niet eens met de uitspraak van de Raad van 20 september 2019 en heeft op 2 september 2020 verzocht om een herziening van die uitspraak. Het verzoek om herziening is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 juli
- Beide partijen waren daarbij niet aanwezig. OVERWEGINGEN In de uitspraak van 20 september 2019 heeft de Raad het verzet van verzoeker tegen de uitspraak van de Raad van 28 maart 2019 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze beslissing genomen op grond van de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de uitspraak van de Raad van 28 maart 2019 is het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2018, 17/7095 niet-ontvankelijk verklaard omdat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend en er geen goede reden voor was. Dit betekent dat het hoger beroep niet in behandeling kon worden genomen. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Verzoeker heeft de Raad gevraagd om opnieuw naar zijn zaak te kijken. Ook vraagt verzoeker om een nieuwe beslissing in verband met het krijgen van een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet. De financiële situatie van verzoeker is slecht. Het is vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1615) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb naar voren gebracht. Het verzoek om herziening moet dan ook worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van R. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus
- (getekend) J.C. Boeree (getekend) R. Dagmar