194129 WAJONG Datum uitspraak: 13 augustus 2021 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 september 2019, 18/2442 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv) [betrokkene] (betrokkene) PROCESVERLOOP Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M.J.H. Roebroek een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2021. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Namens betrokkene is zijn moeder verschenen, bijgestaan door mr. S.J.W.C. Lipman. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene is geboren [geboortedatum] 2000. Met een door het Uwv op 8 maart 2018 ontvangen formulier heeft hij een aanvraag om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij de aanvraag heeft betrokkene informatie gevoegd van de orthopedagoog/GZ-psycholoog van de Dag Behandeling Autisme (DBA) van het centrum Kinder- en jeugdpsychiatrie GGzE van 27 februari 2018, een eindverslag van een jeugdarts van de Herlaarhof, centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie van 20 juli 2017, en een kennisgeving van inschrijving op het voortgezet speciaal onderwijs van de [naam school] van 27 februari 2018. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 22 mei 2018 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat betrokkene weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is. 1.2. Bij besluit van 11 september 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 22 mei 2018 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 22 mei 2018 herroepen, bepaald dat aan betrokkene per 10 juni 2018 een Wajong-uitkering wordt toegekend en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Ten slotte heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten en het Uwv opgedragen het griffierecht aan betrokkene te vergoeden. 2.1. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat betrokkene bekend is met een autisme-spectrumstoornis, een disharmonische intelligentie en een coördinatie-ontwikkelingsstoornis met ataxie en beperkte fijne en grove motoriek. Hij is sinds augustus 2017 in behandeling bij Dagbehandeling autisme (DBA), onderdeel van het centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie van de GGZ Eindhoven, voor drie dagdelen per week. Daarnaast volgde betrokkene op achttienjarige leeftijd twee halve dagen per week onderwijs aan de Prins Willem Alexanderschool, een school voor zeer moeilijk lerende kinderen (speciaal voortgezet onderwijs). Uit de informatie van de behandelaars en begeleiders van betrokkene blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat betrokkene al vanaf zeer jonge leeftijd intensief is begeleid in verband met zijn ontwikkelingsstoornissen en fysieke beperkingen. Hij is aangemeld voor speciale, intensieve dagbehandelingen en onderwijsprogramma’s maar betrokkene is, ondanks herhaaldelijke en continue aansporingen door ouders en begeleiders, nauwelijks te motiveren om hieraan deel te nemen. Er wordt gesproken van een verzuimpercentage van 80%. Het leervermogen van betrokkene is beperkt tot het onthouden van feiten. Betrokkene kan volgens de behandelaars dat wat hij bedenkt en zegt te willen niet omzetten in concreet handelen. Met intensieve begeleiding is hooguit bereikt dat betrokkene een taak met verbale begeleiding en instructie kan uitvoeren, maar betrokkene kan zelden langer dan tien minuten zelfstandig bezig zijn zonder aanmoediging en instructies. Opvallend is dat betrokkene een aangeleerde vaardigheid vervolgens niet goed kan vasthouden als er een nieuwe vaardigheid wordt getraind. Uit de informatie blijkt dat ondanks de intensieve begeleiding die betrokkene al jaren op diverse vlakken krijgt, nauwelijks verbetering in zijn zelfredzaamheid is opgetreden. De verklaringen van de moeder van betrokkene bevestigen het beeld dat betrokkene niet zelfredzaam is in het dagelijks leven, omdat hij vergeet te eten, het waak-slaapritme omdraait en zichzelf niet voldoende verzorgt. Uit de verklaringen van de begeleiders blijkt verder dat betrokkene niet te stimuleren is door het voorhouden van de positieve effecten van het aanleren van een vaardigheid. Er is volgens de begeleiders geen sprake van intrinsieke motivatie. De rechtbank heeft hieruit afgeleid dat betrokkene voortdurend moet worden begeleid en aangestuurd en dat het hem ontbreekt aan zelfstandigheid en leervermogen, nodig om te participeren in arbeid. Betrokkene krijgt vaardigheden die nodig zijn in het dagelijks leven nauwelijks onder de knie en heeft niet het vermogen daarin voldoende te veranderen. Betrokkene is niet in staat ten minste één uur aaneengesloten te werken en hij beschikt niet over basale werknemersvaardigheden. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd dat er nog een zodanige ontwikkeling is te verwachten dat betrokkene arbeidsvermogen kan ontwikkelen. Op grond van de informatie van de behandelaars en begeleiders is sprake van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen door het zeer beperkte leervermogen van betrokkene. Dat met de jaren nog een zekere rijping of ontwikkeling, waaronder die van de intrinsieke motivatie, zal optreden is een algemene stelling van de verzekeringsartsen waaraan in het licht van de beperkingen waarmee betrokkene wordt geconfronteerd geen conclusies kunnen worden verbonden. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van 16 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:301). De rechtbank heeft geen reden gezien een deskundige te benoemen. 3.1. Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen door het zeer beperkte leervermogen van betrokkene. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 oktober 2019 overgelegd. Daarnaast heeft het Uwv aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat betrokkene op 10 juni 2018 studerende is en dat hij om die reden geen recht heeft op een Wajong-uitkering per die datum. 3.2. Betrokkene heeft, onder verwijzing naar een rapport van zijn persoonlijk begeleidster over de periode van juni 2019 tot en met december 2019, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Verder heeft betrokkene verwezen naar een psychiatrische beoordeling van een kinder- en jeugdpsychiater van Buro3o van 20 mei 2021 en een Begeleidingsplan van Buro3o van 27 maart 2021. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.