19 2942 PW, 20/4415 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 17 augustus 2021 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2019, 18/5697 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L.A.M. van der Geld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het college heeft op 14 december 2020 een nieuw besluit genomen (nader besluit). Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaak 19/2943 PW plaatsgevonden op 6 juli 2021. Namens appellant heeft mr. Van der Geld via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.D. Fritz. In de zaak 19/2943 PW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving sinds 7 maart 2017 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet. 1.2. Naar aanleiding van een aantal signalen van de Dienst Wegverkeer (RDW) dat appellant in het bezit is (geweest) van een aantal auto’s heeft een medewerker van de afdeling Sociale Zaken IJsselgemeenten een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker onder meer dossieronderzoek gedaan en appellant tweemaal uitgenodigd voor een gesprek. Appellant is beide keren niet verschenen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 mei 2018. 1.3. In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 8 mei 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 september 2018, de bijstand te herzien (lees: in te trekken) over de maanden juni, juli, oktober en november 2017 en januari 2018 en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.692,31 van appellant terug te vorderen. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van transacties met voertuigen in de hiervoor vermelde maanden. Aangezien appellant geen concrete en controleerbare gegevens heeft overgelegd van deze transacties, is het recht op bijstand over die maanden niet vast te stellen. Bij uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1489, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 5 september 2018 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld. 1.4. Bij besluit van 5 juli 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 oktober 2018 (bestreden besluit), heeft het college appellant een boete opgelegd van € 1.195,80. Aan het bestreden besluit heeft het college, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, omdat hij niet onverwijld en uit eigen beweging aan het college heeft doorgegeven dat hij de vijf auto’s die hij in de bijstandsperiode in bezit had in de maanden juni, juli, oktober en november 2017 en januari 2018 (te beoordelen maanden) van zijn naam heeft gehaald. Ook heeft appellant geen, dan wel onvoldoende, concrete en verifieerbare gegevens aangeleverd van transacties over deze voertuigen. Het college is bij het bepalen van de hoogte van de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft rekening gehouden met de draagkracht van appellant door de boete vast te stellen op twaalfmaal 10% van € 996,58 netto, zijnde de ten tijde van de besluitvorming voor appellant geldende bijstandsnorm. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. Bij het nader besluit heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525, de boete verlaagd en met inachtneming van een beslagvrije voet van 95% nader vastgesteld op € 635,42. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.1. Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken. 5.2. Het college heeft met het nader besluit de hoogte van de boete gewijzigd. Alleen al hierom houdt het bestreden besluit geen stand en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd, het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft. Vervolgens moet worden beoordeeld of het nader besluit in rechte stand kan houden. 5.3. Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Het ging namelijk om vijf oude auto’s die geen enkele waarde vertegenwoordigen en na gebruik zijn afgevoerd naar de sloop. Bovendien heeft appellant het college al in een eerder stadium op de hoogte gesteld van de (transacties met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.