195108 WAJONG Datum uitspraak: 26 augustus 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 november 2019, 19/414 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2021. Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is geboren op [geboortedatum] 1997. Met een door het Uwv op 7 januari 2015 ontvangen formulier heeft appellante een aanvraag om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij besluit van 16 maart 2015 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is. Bij besluit van 3 augustus 2015 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 september 2016 (HAA 15/3897) heeft de rechtbank Noord-Holland het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft geen hoger beroep ingesteld. Het besluit van 16 maart 2015 staat daarom in rechte vast. 1.2. Met een door het Uwv op 29 mei 2018 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw om een beoordeling van haar arbeidsvermogen verzocht. Het Uwv heeft deze aanvraag gezien als een verzoek om terug te komen van het besluit van 16 maart 2015. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 12 juli 2018 heeft het Uwv het verzoek afgewezen, omdat appellante nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is. 1.3. Bij besluit van 25 januari 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juli 2018 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij het in het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 12 juli 2018 moet toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden alsof dit het eerste besluit op de aanvraag van appellante was. De rechtbank heeft overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de medische en arbeidskundige onderzoeken. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische en arbeidskundige beoordelingen inhoudelijk onjuist zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk gemotiveerd waarom geen sprake is van een progressief ziektebeeld of een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden en de aandoening niet zodanig ernstig is dat geen toename van bekwaamheden mag worden verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben volgens de rechtbank in gezamenlijk overleg vastgesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de duurzaamheid te twijfelen. Appellante heeft in beroep geen (nieuwe) gegevens overgelegd die haar standpunt ondersteunen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat, uitgaande van de situatie dat er behandelmogelijkheden zijn, appellante in de toekomst niet meer zal voldoen aan de criteria in artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat appellante geen arbeidsvermogen had maar dat deze situatie nog niet is te kwalificeren als duurzaam. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Volgens appellante heeft zij geen arbeidsvermogen en kan zij dit ook niet ontwikkelen. Haar klachten nemen toe en zij gaat alleen maar achteruit, ondanks behandeling bij de GGZ. Zij heeft toegenomen fysieke en psychische klachten. Appellante krijgt dagelijks hulp van de wijkverpleegkundige bij basale verrichtingen zoals douchen, aankleden en haren kammen. Daarnaast krijgt zij twee tot drie keer per week persoonlijke begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige. Er zijn volgens appellante geen behandelmogelijkheden meer en niet valt in te zien dat in de toekomst sprake zal zijn van een toename van bekwaamheden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een indicatie van de wijkverpleegkundige van 16 januari 2020 overgelegd. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 januari 2020. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.