19240 PW Datum uitspraak: 17 augustus 2021 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 november 2018, 18/2524 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. A. Aaryf, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aaryf. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Chahid, die door middel van videobellen aan de zitting heeft deelgenomen. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellanten ontvangen sinds 5 januari 1994 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). 1.2. Naar aanleiding van een melding van Team Risk van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht van 23 maart 2017 dat uit gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) blijkt dat appellant regelmatig auto’s exporteert, heeft een handhavingsspecialist van Team Handhaving van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht (handhavingsspecialist) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer dossieronderzoek verricht, gegevens van de RDW geraadpleegd en appellant gehoord op 18 oktober 2017. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage handhaving van 14 november 2017. 1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 november 2017 de bijstand van appellanten te herzien over de periode van 3 augustus 2010 tot en met 28 juli 2017 en de over die periode teveel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 24.452,92 van appellanten terug te vorderen. Het college is bij deze berekening uitgegaan van een bedrag van € 500,- per auto. 1.4. Bij besluit van 17 mei 2018 heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 21 november 2017 deels gegrond verklaard en dit besluit herroepen voor zover het ziet op de herziening en terugvordering over de periode van 3 augustus 2010 tot en met 20 november 2012. Het college heeft herziening over de periode van 21 november 2012 tot en met 28 juli 2017 (periode in geding) in stand gelaten en het terugvorderingsbedrag verlaagd tot een bedrag van € 4.673,30. Aan de herziening en terugvordering heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake was van autohandel in de periode in geding en daarmee van op geld waardeerbare activiteiten. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door hier geen melding van te maken bij het college. Doordat appellanten geen controleerbare en verifieerbare gegevens hebben overgelegd over de waarde van de voertuigen, is het college bij de bepaling van de hoogte van de herziening en terugvordering uitgegaan van de waarde per voertuig zoals deze op de website Autotelex.nl is te vinden op de datum waarop het voertuig van de naam van appellant is gegaan. Hierbij heeft het college een maximum van € 500,- voor een voertuig gehanteerd, indien de waarde van dat voertuig volgens Autotelex hoger was dan dat bedrag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. 4.2. Uit kentekenregistraties, zoals hier aan de orde, volgt de directe betrokkenheid bij de registraties van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Indien een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen een betrekkelijk korte periode en dit het geval is bij diverse motorvoertuigen, dan is aannemelijk dat met die voertuigen handelstransacties hebben plaatsgevonden. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437). De datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling – met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van de betrokkene is geëindigd – wordt aangemerkt als de datum waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden. Dit is eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306). 4.3. Niet in geschil is dat appellant in de periode in geding direct betrokken is geweest bij twee wijzigingen van tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een betrekkelijk korte periode, variërend van 4 dagen tot bijna 11 maanden, ten aanzien van 25 voertuigen. Daarmee is aannemelijk dat appellant handelstransacties heeft verricht ten aanzien van die voertuigen. De beroepsgrond dat geen sprake was van handelsactiviteiten, maar dat de voertuigen bestemd waren voor consumptief gebruik, slaagt dan ook niet. Gelet op het aantal voertuigen en de betrekkelijk korte duur van de tenaamstellingen, kan niet staande worden gehouden dat de voertuigen uitsluitend bestemd waren voor eigen gebruik. Dat appellant voor alle voertuigen over een parkeervergunning en een WA-verzekering beschikte, wat hier ook van zij, leidt niet tot de conclusie dat geen sprake kan zijn van handelstransacties. Appellanten hadden melding moeten maken van de transacties met de auto’s, aangezien deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor de (voortzetting van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.