20998 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 januari 2020, 19/4787 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college) Datum uitspraak: 21 september 2021 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2021. Appellant is verschenen. Het college heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door M.M.J. de Vries. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Op 15 maart 2019 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de vorm van een tegemoetkoming meerkosten voor chronisch zieken en gehandicapten (TM-CZG). 1.2. Bij besluit van 24 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 juli 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor een TM-CZG. Appellant beschikt niet over een Avan-vervoerspas die is toegekend op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en hij voldoet ook niet aan één van de overige voorwaarden voor een TM-CZG. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende geoordeeld, waarbij voor eiser appellant moet worden gelezen en voor gedaagde het college: “De TM-CZG is een financiële tegemoetkoming, bestemd voor de meerkosten van chronisch zieken en gehandicapten die voortkomen uit hun ziekte of handicap. Om als chronisch ziek of gehandicapt in het kader van deze regeling te worden aangemerkt, moet voldaan zijn aan verschillende voorwaarden. Zo moet de inwoner zelfstandig gehuisvest zijn, een inkomen hebben van maximaal 150% van de bijstandsnorm, een vermogen hebben lager dan de vermogensgrens en in het jaar voorafgaand aan de aanvraag moet het volledige eigen risico voor de zorgverzekering zijn betaald. Naast deze voorwaarden, moet de inwoner aan één van de volgende voorwaarden voldoen: dit jaar een eigen bijdrage betalen aan het CAK voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo of voor zorg thuis op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), óf een rolstoel van verweerder hebben ontvangen op grond van de Wmo, óf in het bezit zijn van een Avan-vervoerspas voor aanvullend vervoer op basis van de Wmo. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan één van de hiervoor genoemde drie voorwaarden. Eiser bezit immers wel een Avan-vervoerspas, maar dit is een zelf aangeschafte pas voor OV-vervoer en niet voor aanvullend vervoer op basis van de Wmo. Eiser voldoet ook niet aan één van de andere twee voorwaarden. Hij heeft immers niet een eigen bijdrage betaald aan het CAK op grond van de Wmo of Wlz en hij heeft ook geen rolstoel ontvangen op grond van de Wmo. Dit betekent dat eiser geen recht heeft op de TM-CZG. De omstandigheid dat verweerder er volgens eiser (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.