21226 MAW Datum uitspraak: 23 september 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 december 2020, 20/5563 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C.J.M. Dreessen, advocaat, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus
- Appellant is via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. Dreessen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H. Eleveld en mr. S.R.M. van Haren. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is sinds 1981 werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft sinds 1 april 2020 een functie in de rang van [rang X] . Appellant heeft op 14 april 2020 gesolliciteerd naar de [functie A in de rang van Y] 1.
- Bij e-mailbericht van 1 mei 2020 heeft een P&O-functionaris appellant laten weten dat hij niet zal worden meegenomen in de selectieprocedure, omdat hij niet voldoet aan de selectiecriteria. 1.
- Bij besluit van 3 juni 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juli 2020 (bestreden besluit), heeft de staatsecretaris appellant medegedeeld dat de functie van examensamensteller niet aan appellant is toegewezen, omdat appellant niet voldoet aan de ervaringsrichtlijnen zoals die zijn gesteld om voor de functie in aanmerking te komen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat het bestreden besluit in strijd met het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) is genomen. Gelet op artikel 17, achtste lid, van het AMAR, komt appellant gedurende zijn gehele plaatsingsduur in aanmerking voor plaatsing op een functie waaraan een hogere rang is verbonden. Dit neemt niet weg dat appellant moet voldoen aan de ervaringseis als bedoeld in artikel 19 van het AMAR om voor de door hem geambieerde functie in aanmerking te komen. In de vacaturetekst staat, voor zover van belang, dat belangstellenden op de peildatum een volledige functieduur in de rang van [rang X] moeten hebben voltooid. Niet in geschil is dat appellant hieraan niet voldeed. De rechtbank heeft dan ook geen reden gezien om te oordelen dat de staatssecretaris niet in redelijkheid tot een afwijzing van de sollicitatie van appellant heeft kunnen komen. Dat appellant vindt dat hij kennis-inhoudelijk over de vereiste ervaring beschikt, kan niet wegnemen dat de staatssecretaris voor de geschiktheid om een [functie in rang Y] te mogen vervullen grote betekenis mag toekennen aan het voltooid hebben van een volledige functieduur in de rang van [rang X] en de daaraan gekoppelde competenties en verantwoordelijkheden. Het AMAR bevat geen bepalingen waaruit kan worden afgeleid dat de Adviescommissie Functietoewijzing (ACF) moest beoordelen of appellant aan de ervaringseis voldeed. De stelling dat de voorzitter van de ACF een gesprek met appellant had willen voeren heeft appellant niet met stukken onderbouwd.
- In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is voornamelijk een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden uitvoerig besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en voegt daaraan het volgende toe. 4.
- Appellant heeft betoogd dat bij toepassing van de regels van het AMAR een hardheidsclausule geldt. In geval van bijzondere feiten of omstandigheden kan volgens appellant van de regels worden afgeweken. Dit betoog slaagt niet. Er is geen sprake van een bijzondere situatie die noopt tot toepassing van een hardheidsclausule. De Beleidsregels aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensie waar appellant naar heeft verwezen, zijn bovendien sinds 1 februari 2011 niet meer van toepassing op militairen. 4.
- Dat de P&O-functionaris heeft getoetst of de sollicitanten voldoende kennis en ervaring hadden, maakt de sollicitatieprocedure niet onzorgvuldig. De P&O-functionaris kon de voorselectie voor rekening nemen van de voorzitter. Bovendien is het e-mailbericht van 1 mei 2020 ook naar de voorzitter van de ACF gegaan, zodat ervan uit kan worden gegaan dat de voorzitter wist dat appellant niet werd meegenomen in de sollicitatieprocedure. 4.
- Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat sprake is van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat appellant op voorhand niet is meegenomen in de sollicitatieprocedure. Dit artikel is niet van toepassing op een sollicitatieprocedure. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september
- (getekend) J.J.T. van den Corput (getekend) M.E. van Donk