19 4779 WAJONG Datum uitspraak: 22 september 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 oktober 2019, 17/6758 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H. Selçuk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 25 augustus 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Selçuk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedag] 1989, heeft door een aandoening aan de urinewegen, het darmstelsel en de nieren, sinds 30 december 2008 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 1 december 2015 heeft het Uwv aan appellant een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellant arbeidsvermogen heeft. Appellant heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 14 februari 2017 vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 4 september 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 14 februari 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, omdat het Uwv pas in beroep medische informatie heeft ingewonnen en de beperkingen van appellant juist heeft vastgesteld, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Daarbij heeft de rechtbank bepalingen over proceskosten en griffierecht gegeven. De rechtbank heeft overwogen dat appellant terecht heeft gesteld dat het Uwv informatie had moeten inwinnen bij het GGZ. Uit de in beroep ontvangen informatie blijkt dat er bij appellant sprake is van een depressieve stoornis en een persoonlijkheidsstoornis. De informatie van het GGZ heeft ook geleid tot het aannemen van meer beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant aanvullend beperkt geacht voor omgaan met stress en andere mentale eisen (zoals tijdsdruk, productiepieken, verstoringen/onderbrekingen in de werksfeer en onvoorspelbare werksituatie). De rechtbank is van oordeel dat met deze aanvullende beperkingen voldoende recht wordt gedaan aan de psychische belastbaarheid van appellant. Er is geen (medische) informatie overgelegd waaruit blijkt dat appellant op grond van zijn psyche meer moet worden beperkt. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat een openbaar toilet iets anders is dan een toilet op de werkvloer. Waar openbare toiletten volgens de rechtbank vies kunnen zijn en mogelijk niet regelmatig worden schoongemaakt, geldt dit niet voor toiletten in de werkomgeving. Daarbij heeft de rechtbank tevens betrokken dat uroloog Dohle in zijn reactie van 26 juli 2017 heeft opgemerkt dat er geen contra-indicatie is voor het hervatten in passend werk. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 27 november 2017 terecht heeft opgemerkt, weet de uroloog dat appellant, als hij gaat werken, gebruik zal moeten maken van een toilet op de werkplek. Zou dit een probleem zijn voor appellant dan valt volgens de rechtbank niet in te zien waarom de uroloog daar geen opmerkingen over heeft gemaakt. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat appellant niet beperkt is voor het gebruik maken van een toilet op de werkplek. De rechtbank volgt de verzekeringsartsen ook in hun oordeel dat geen aanleiding meer bestaat om een urenbeperking aan te nemen omdat geen nierinsufficiëntie meer bestaat. De rechtbank heeft in het midden gelaten hoe vaak appellant moet katheteriseren. Ook als appellant twaalf keer dag zou moeten katheteriseren (en ervan uitgaande dat hij in de nacht (gedurende acht uur) niet hoeft te katheteriseren) zou appellant na een uur en twintig minuten moeten katheteriseren. Appellant kan dan ook gedurende één uur aaneengesloten werken. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat ook als het katheteriseren in het uur dat appellant werkt zou moeten plaatsvinden, dit volgens de rechtbank geen wezenlijke onderbreking van de taak oplevert. Ook de tijdsduur van het spoelen van de darmen heeft de rechtbank in het midden gelaten. Als er volgens de rechtbank vanuit wordt gegaan dat in de nacht niet gespoeld hoeft te worden dan zou appellant iedere vier uur moeten spoelen. Ook het spoelen hoeft dan volgens de rechtbank niet tot een onderbreking van het uur aaneengesloten werken te leiden. Uit de beschikbare medische gegevens blijkt volgens de rechtbank verder niet van vergeetachtigheid of het niet kunnen nakomen van afspraken. Het enkele gegeven dat appellant een depressie heeft, is onvoldoende om te oordelen dat hij vergeetachtig is of afspraken niet na kan komen. 3.1. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het in stand laten van rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen arbeidsvermogen heeft, zodat hij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Hij kan geen gebruik maken van de toiletten bij een werkgever omdat daarbij kans bestaat op infectiegevaar met grote medische gevolgen voor appellant omdat hij resistent is voor vele soorten antibiotica. Door katheteriseren en darmspoelen is appellant verder niet in staat om gedurende een uur aaneengesloten te werken en hij is daardoor niet gedurende vier uur per dag belastbaar. Nog daargelaten dat er volgens appellant in een uur sprake is van een wezenlijke onderbreking, kampt appellant ook met vermoeidheid waardoor hij niet vier uur per dag belastbaar is voor arbeid. Appellant beschikt verder door zijn psychische stoornis naar zijn mening ook niet over basale werknemersvaardigheden. Door zijn depressieve stoornis kan hij naar zijn zeggen onder meer moeilijk afspraken nakomen. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. In geschil is de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op 1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.