205 BBZ-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 november 2019, 19/1585 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 12 oktober 2021 Zitting heeft: K.H. Sanders Griffier: B. Beerens Ter zitting is verschenen M.J.A. van den Ende, gemachtigde van appellante. Het dagelijks bestuur is niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellante heeft over 2017 bijstand ontvangen op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Aan de hand van de verlies- en winstrekening 2017 van haar onderneming [naam onderneming vof] heeft het dagelijks bestuur de bijstand over 2017 definitief vastgesteld. De bijstand in 2017 plus het netto inkomen van appellante is meer dan de jaarnorm die voor appellante geldt (€ 11.815,86). Daarom moet appellante het verschil (€ 3.253,60) terugbetalen. Appellante vindt dat het dagelijks bestuur om haar netto inkomen vast te stellen niet had mogen uitgaan van de fiscale winst van haar onderneming. Die geeft namelijk geen reëel beeld van haar financiële situatie in dat jaar. Appellante heeft in 2017 kosten gemaakt, die niet zijn meegenomen in de berekening van de fiscale winst. Het gaat om de betaling van facturen uit 2016 en om de kosten van het gebruik van de privé-auto van appellante voor de onderneming. In artikel 12 van het Bbz staat onder meer dat indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto inkomen, meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil wordt teruggevorderd. In de rechtspraak is al vaker uitgelegd hoe het netto inkomen bepaald moet worden. Voor de berekening daarvan moet worden uitgegaan van de netto winst van de onderneming, zoals die blijkt uit de jaarstukken. Zo is ook in dit geval het netto inkomen van appellante vastgesteld. Er is uitgegaan van de netto winst van de onderneming (€ 8.134,66). De helft daarvan (€ 4.067,33) komt toe aan appellante. Op dat bedrag is de wettelijk voorgeschreven aftrek van 20% toegepast, zodat een bedrag van € 3.253,60 overblijft. Dat is het netto inkomen van appellante over het jaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.