20357 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2019, 18/6221 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] , wonende te [woonplaats] (appellante) het Drechtstedenbestuur (bestuur) Datum uitspraak: 11 oktober 2021 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. I. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2021. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Marle. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante ontvangt sinds 9 oktober 2017 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande kostendeler. 1.2. Het bestuur heeft bij besluit van 8 maart 2018 het recht op bijstand beëindigd met ingang van 26 februari 2018, vanwege het inkomen uit arbeid. 1.3. Het bestuur heeft appellante bij brieven van 8 maart 2018 en 28 maart 2018 verzocht salarisstroken over te leggen over de periode van 10 augustus 2017 tot en met 24 februari 2018. Aanleiding daartoe was dat appellante te kennen heeft gegeven dat zij ook inkomen uit andere arbeid heeft. 1.4. Bij besluit van 6 april 2018 heeft het bestuur de bijstand met ingang van 9 oktober 2017 ingetrokken, omdat appellante niet heeft voldaan aan de verzoeken van het bestuur om de gevraagde inkomensgegevens over te leggen. Als gevolg hiervan heeft het bestuur het recht op bijstand niet kunnen vaststellen. Het bestuur heeft ook de over de periode van 9 oktober 2017 tot en met 28 februari 2018 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.862,22 van appellante teruggevorderd. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.5. Tijdens de bezwaarprocedure heeft het bestuur in een brief van 18 mei 2018 aan appellante meegedeeld dat de bijstand met ingang van 1 maart 2018 ongewijzigd wordt voorgezet en dat haar inkomsten op de bijstand in mindering zullen worden gebracht. Verder blijkt uit deze brief dat appellante in de periode van 9 oktober 2009 tot en met 30 april 2018 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen van [werkgever 1] , [werkgever 2] en [werkgever 3] en dat appellante als zorgverlener voor haar grootmoeder inkomsten uit een persoonsgebonden budget (PGB) ontvangt. Om de hoogte van de terugvordering te kunnen herberekenen, heeft het bestuur appellante verzocht om, met uitzondering van de al eerder ingeleverde salarisspecificaties van [werkgever 3] , specificaties van alle inkomsten over de periode van 9 oktober 2017 tot en met 30 april 2018 in te leveren. 1.6. Op 5 juni 2018 heeft appellante bankafschriften overgelegd over de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 januari 2018. 1.7. Bij brieven van 14 juni 2018 en 21 juni 2018 heeft het bestuur appellante verzocht de salarisspecificaties van alle inkomsten uit arbeid bij [werkgever 1] , [werkgever 2] en [werkgever 3] (het laatste met uitzondering van de al overgelegde salarisspecificaties over de weken 9, 10 en 11 in 2018) over de periode van 9 oktober 2017 tot en met 30 april 2018 over te leggen alsmede bewijsstukken van de inkomsten uit een PGB. Bij brief van 23 juli 2018 heeft het bestuur appellante verzocht om, naast de nog ontbrekende inkomensgegevens, ook een schriftelijke verklaring met betrekking tot alle bijschrijvingen op haar bankrekening over te leggen. Appellante heeft gedeeltelijk aan dit verzoek voldaan. Zij heeft enkel stukken overgelegd waaruit blijkt van bijschrijvingen door de Sociale verzekeringsbank in verband met het PGB. 1.8. Bij besluit van 30 oktober 2018 (bestreden besluit) heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 6 april 2018 gegrond verklaard, in die zin dat het bestuur de bijstand over de periode van 9 oktober 2017 tot en met 28 februari 2018 heeft herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 2.736,48 van appellante heeft teruggevorderd. Het bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar inkomsten uit arbeid (bij [werkgever 1] ), haar inkomsten uit het PGB en de bijschrijvingen door derden op haar bankrekening. Appellante heeft volgens het bestuur niet aannemelijk gemaakt dat zij niet vrijelijk over deze inkomsten kon beschikken. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Herziening 4.1. De te beoordelen periode loopt van 9 oktober 2017 tot en met 28 februari 2018. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante inkomsten uit arbeid en inkomsten uit arbeid in de vorm van zorgverlening aan haar grootmoeder, bekostigd uit het PGB van haar grootmoeder, heeft ontvangen en dat derden bijschrijvingen hebben gedaan op haar bankrekening. In geschil is of appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door van deze inkomsten geen melding te maken bij het bestuur. 4.3. Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Zij heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat zij haar inkomsten uit het PGB van haar grootmoeder wel heeft gemeld aan het bestuur. Appellante heeft in het kader van toekomstige werkzaamheden namelijk uitvoerig hierover gesproken met het bestuur. Verder heeft zij betoogd dat niet alle bijschrijvingen direct hoeven te worden gemeld, dat de regels over het melden van bijschrijvingen erg ingewikkeld en onduidelijk zijn en dat haar niet bekend is wat de inlichtingenverplichting precies inhoudt en op welke wijze zij hieraan moet voldoen. Het valt het bestuur aan te rekenen dat bijstandsgerechtigden onvoldoende worden geïnformeerd over hun rechten en plichten. 4.4.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 4.4.2. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de PW wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking komende middelen voor zover deze: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.