← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2021:2599

191726 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 maart 2019, 18/4054 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college) Datum uitspraak: 12 oktober 2021 Zitting heeft: A.M. Overbeeke Griffier: J.E. Mink Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.J.D. van Doleweerd. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Kankal en F.D. de Gama. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om de intrekking van bijstand over de periode van 29 november 2016 tot 10 april 2018 en de terugvordering van bijstand tot een bedrag van € 13.492,
  2. Volgens het college heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden door niet te melden dat hij niet woonde op het uitkeringsadres, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover nog van belang, het beroep tegen de intrekking en terugvordering ongegrond verklaard. Omdat appellant vanaf 4 december 2017 bijstand naar de norm voor gehuwden van de gemeente [plaatsnaam 1] ontvangt, is in hoger beroep nog in geschil de periode van 29 november 2016 tot 4 december
  3. Appellant heeft aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag bieden voor de intrekking van de bijstand. Het feit dat iemand weinig kleding bezit, betekent nog niet dat iemand ergens niet woont. Bovendien had hij een plausibele verklaring voor het ontbreken van administratie, die lag bij een van zijn zoons. Verder is de intrekking slechts gebaseerd op één huisbezoek. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de bankafschriften van appellant komt naar voren dat appellant in de periode van 29 november 2016 tot en met 7 november 2017 in totaal vijf (pin)transacties in [plaatsnaam 2] heeft verricht en 167 transacties in [plaatsnaam 1]. Verder komt er betekenis toe aan de bevindingen van het huisbezoek. Tijdens het huisbezoek op 8 november 2017 maakte de kamer van appellant volgens de rapportage een onbewoonde indruk. De kamer voelde koud aan, er was geen voedsel, nauwelijks kleding of toiletspullen, geen computer, geen TV en behalve twee bonnetjes uit 2014 was er geen administratie. De kasten waren nagenoeg leeg. Het hoger beroep slaagt dus niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat dan geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) J.E. Mink (getekend) A.M. Overbeeke

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.