194879 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2019, 19/2360 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 15 oktober 2021 Zitting heeft: G.M.G. Hink, als lid van de enkelvoudige kamer. Griffier: J. Oosterveen Ter zitting zijn via videobellen verschenen: appellante, bijgestaan door haar dochter. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Het gaat in deze zaak om een intrekking en een terugvordering van bijstand. Vaststaat dat appellante in 2018 langer dan vier weken in Turkije is geweest. Niet in geschil is dat appellante in verband met dit te lange verblijf in het buitenland was uitgesloten van het recht op bijstand in de periode van 22 augustus 2018 tot en met 5 september
- Appellante heeft aangevoerd dat zij in Turkije met spoed moest worden opgenomen in een ziekenhuis in verband met een hartaanval en dat daarom sprake was van onmacht, een medische noodzaak en urgentie. Appellante beroept zich hiermee op zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet (PW). Volgens vaste rechtspraak doen zeer dringende redenen zich voor indien sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin betrokkene verkeert niet anders zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Appellante heeft niet met stukken onderbouwd dat de langere periode in het buitenland het gevolg is van de spoedopnames in een ziekenhuis in Turkije. Uit de in hoger beroep overgelegde foto van appellante blijkt slechts dat zij, op enig moment, in een ziekenhuisbed in Turkije heeft gelegen. Appellante heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een acute noodsituatie. Het beroep op artikel 16 van de PW slaagt daarom niet.
- Appellante heeft verder aangevoerd dat haar klantmanager tijdens een gesprek heeft gezegd dat appellante vanwege bijzondere omstandigheden alleen een waarschuwing zou krijgen voor het te lange verblijf in het buitenland en dat niets van haar zou worden teruggevorderd. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:
- Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van het college een toezegging of een uitlating is gedaan of een gedraging is verricht waaruit appellante redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat wordt afgezien van de in geding zijnde intrekking en terugvordering.
- Appellante heeft de hoogte van de terugvordering betwist. Het college heeft in verweer in hoger beroep gemotiveerd de hoogte van de terugvordering uiteengezet en met uitkeringsspecificaties onderbouwd. Appellante heeft niet geconcretiseerd waarom de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet juist is vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
- Tot slot heeft appellante een beroep op dringende redenen gedaan om van de terugvordering af te zien. Appellante heeft aangevoerd dat zij in een zeer lastige financiële situatie zit. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Appellante heeft namelijk bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet, die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
- Uit 1 tot en met 5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) J. Oosterveen (getekend) G.M.G. Hink