21767 AOW Datum uitspraak: 18 november 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2020, 18/3511 AOW Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (Marokko) (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2612). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november
- Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.
- De Svb heeft verzoekster bij besluit van 7 maart 2011 met ingang van februari 2008 een ouderdomspensioen toegekend op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op 7 juni 2017 heeft zij de Svb verzocht om terug te komen van dit besluit, omdat zij een AOW-pensioen wil vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in
- Bij besluit van 26 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2017, heeft de Svb dit verzoek afgewezen omdat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 7 maart 2011 en dat besluit ook niet onmiskenbaar onjuist is. 1.
- Bij uitspraak van 18 mei 2018 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2017 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2612), waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad die uitspraak bevestigd.
- Verzoekster heeft aan haar verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat er mogelijk brieven naar Marokko zijn verstuurd, maar dat zij deze nooit heeft ontvangen.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.
- Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.
- Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1218) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is bedoeld om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. 3.
- Verzoekster heeft bij het verzoek om herziening geen feiten of omstandigheden genoemd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verzoekster beoogt in feite een hernieuwde discussie te voeren over de uitspraak van de Raad van 23 oktober
- Uit wat in 3.2 is overwogen volgt dat het middel van herziening daarvoor niet is bedoeld. 3.
- Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november
- (getekend) M. Wolfrat (getekend) D. Al-Zubaidi