Datum uitspraak: 19 november 2021 20/1405 WIA-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 december 2019, 19/901 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen PROCESVERLOOP De Raad heeft het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak op 4 november 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de Raad het hoger beroep niet inhoudelijk in behandeling kan nemen. De Raad heeft de beslissing genomen op grond van de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht. Appellante is het niet eens met deze uitspraak en heeft verzet gedaan. Het verzet is aan de orde gesteld ter zitting van 8 oktober
- Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN In de uitspraak van de Raad van 4 november 2020 is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig is en de gronden van het hoger beroep niet zijn ingediend. De Raad zal eerst, ambtshalve, beoordelen of het verzet ontvankelijk is. De Raad heeft appellante bij brief van 23 december 2020 gevraagd de gronden van het verzet in te dienen. Daarop heeft appellante niet gereageerd. Bij – aangetekend verzonden – brief van 25 januari 2021 is appellante nogmaals de gelegenheid geboden de gronden van het verzet in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat appellante er rekening mee moet houden dat het verzet niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de gronden niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend. De aangetekende brief is naar het bekende adres van appellante verzonden. Op 12 februari 2021 is de aangetekende brief retour ontvangen bij de Raad omdat de brief niet is afgehaald. Volgens de gegevens van de Basisregistratie Personen woont appellante nog steeds op hetzelfde adres. Bij brief van 12 februari 2021 is de brief van 25 januari 2021 nogmaals naar appellante verzonden met de mededeling dat er met deze nieuwe toezending niet opnieuw een termijn gaat lopen. De Raad heeft geen verzetsgronden van appellante ontvangen. Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan appellante te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november
- (getekend) J.C. Boeree (getekend) B. van Dijk