20 1587 WIA Datum uitspraak: 17 november 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 maart 2020, UTR 18/4810 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.B. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, deels via videobellen, plaatsgevonden op 6 oktober 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong en [naam begeleider] , begeleider. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als commercieel medewerkster telefonische verkoop voor 25 uur per week. Op 17 september 2013 heeft appellante zich ziekgemeld voor dit werk, waarna een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aan haar is toegekend. Per einde wachttijd had appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. 1.2. Op 23 mei 2016 heeft appellante zich opnieuw ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten, waarna wederom een ZW-uitkering is toegekend. Op 15 maart 2018 heeft appellante een WIA-uitkering aangevraagd. 1.3. Naar aanleiding van deze WIA-aanvraag heeft een arts van het Uwv, gelet op eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen, beoordeeld of er sprake was van een toename van dezelfde klachten. In het rapport van 23 april 2018 komt deze arts tot de conclusie dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2018. De hiervoor geldende beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), geldend per 1 januari 2018. Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 9 mei 2018 functies geselecteerd, op grond waarvan appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. 1.4. Bij besluit van 9 mei 2018 heeft het Uwv geweigerd per 1 januari 2018 een WIAuitkering aan appellante toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 1.5. Bij beslissing op bezwaar van 22 november 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 mei 2018 ongegrond verklaard. Deze beslissing op bezwaar is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 oktober 2018, met een aangepaste FML van 12 oktober 2018, en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 november 2018. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de enkele omstandigheid dat de klachten van appellante nu aan een diagnose, Somatisch Onverklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) worden toegeschreven, onvoldoende reden is voor twijfel aan de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Volgens vaste rechtspraak is voor het beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid niet de diagnose bepalend, maar de beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek op de beoordelingsdatum (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:798). De rechtbank heeft geconcludeerd niet te twijfelen aan de beoordeling van de medische toestand van appellante op de beoordelingsdatum en evenmin aan de passendheid van de voor appellante geselecteerde functies. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep – samengevat – herhaald dat door het Uwv onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische en lichamelijke klachten, in het bijzonder met haar SOLK-problematiek. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 juli 2020. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. 4.2. In artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat recht op een WGA-uitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.