19823 WAJONG Datum uitspraak: 17 november 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2018, 17/3236 (aangevallen tussenuitspraak) en tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 januari 2019, 17/3236 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. ing. J.G. van Ek, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Het onderzoek ter zitting is geschorst. Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord. Appellante heeft hierop gereageerd. Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid van de Awb is gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1995, heeft sinds 27 januari 2014 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2010) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 24 mei 2016 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 12 januari 2017 vastgesteld dat appellante geen arbeidsvermogen heeft maar er geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Als gevolg hiervan wordt de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 20 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 12 januari 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich in het bestreden besluit op het gewijzigde standpunt dat bij appellante per 1 januari 2018 sprake is van arbeidsvermogen. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2.1. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante vier uur per dag belastbaar is. Ook met betrekking tot het aaneengesloten kunnen werken van één uur heeft de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet te oordelen dat appelante niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv echter onvoldoende gemotiveerd dat de drie geselecteerde taken – Verwijderen van randen van rubber (taaknummer 2001), Intern transport van linnengoed-kleding (taaknummer 0903) en Vullen van afwasmachine (taaknummer 0601) – passend waren voor appellante. 2.2. Bij brief van 12 september 2018 heeft het Uwv te kennen gegeven het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te zullen herstellen. Met een rapport van 7 september 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nadere motivering gegeven voor het standpunt dat de geselecteerde taken passend zijn voor appellante. 2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Ook heeft de rechtbank beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 september 2018 de passendheid van de voor appellante geselecteerde taak Verwijderen van randen van rubber alsnog afdoende heeft gemotiveerd en daarmee het in de aangevallen tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij geen arbeidsvermogen heeft, zodat zij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat er voor haar aandoening borderline in theorie wel behandelmogelijkheden zijn, maar dat er geen goede vooruitzichten zijn door de behandelresistente problematiek. Gelet op het dagverhaal, de diagnose en de ziektegeschiedenis kan betwijfeld worden of appellante gedurende een periode van een uur aaneengesloten kan werken en of zij ten minste vier uur per dag belastbaar is. Dat appellante onderwijs heeft gevolgd en korte tijd heeft gewerkt rechtvaardigt niet de conclusie dat zij over basale werknemersvaardigheden beschikt. Zij kan het huishouden niet op gestructureerde wijze doen en kan geen afspraken nakomen. Basale werknemersvaardigheden kunnen niet worden gecreëerd door ondersteuning of rekening houden met beperkingen. Verder is de geschiktheid van de geselecteerde taak Verwijderen van randen van rubber (nog steeds) onvoldoende gemotiveerd. De gestelde feitelijke werkomstandigheden van die taak zijn voor appellante niet verifieerbaar. Met een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 , Korošec, heeft appellant verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op 1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.