← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2021:2977

Datum uitspraak: 25 november 2021 21/1288 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 maart 2021, 20/4126 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. OVERWEGINGEN In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Bij brief van 18 april 2021 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 134,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven. Bij aangetekende brief van 19 mei 2021 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden. Bij brief van 24 mei 2021 heeft appellant een beroep op betalingsonmacht gedaan. Bij brief van 1 juni 2021 is appellant gewezen op de criteria die gelden voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’. Appellant is een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van het bij de brief gevoegde formulier te reageren op voornoemde brief. Daarbij is appellant erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens. Appellant heeft dit formulier ingevuld en ondertekend ingezonden. De Raad heeft het op 9 juni 2021 ontvangen. Bij brief van 16 juni 2021 heeft de Raad een inkomensverklaring van appellant opgevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand. Bij brief van 22 juni 2021 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de inkomensverklaring van appellant overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat het verzamelinkomen van appellant € 47.097,- bedraagt in het peiljaar

  1. Bij brief van 28 juni 2021 is aan appellant een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van de bij de brief gevoegde verklaring te reageren, nu de gegevens in de inkomensverklaring niet actueel waren. Daarbij is appellant erop gewezen dat het beroep om betalingsonmacht word afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens. Op 7 juli 2021 heeft de Raad de ingevulde verklaring ontvangen waaruit blijkt dat de inkomensgegevens van appellant niet meer actueel zijn en dat appellant niet over vermogen beschikt. Appellant heeft als bewijsstukken jaaropgaven van 2020 en uitkeringsspecificaties over de maanden mei en juni 2021 overgelegd. Bij brief van 9 juli 2021 is appellant meegedeeld dat op basis van de verstrekte gegevens appellant niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet en dat het beroep op betalingsonmacht is afgewezen. Daarbij is appellant meegedeeld dat hij een (nieuwe) nota griffierecht/herinnering griffierecht zal ontvangen en is hem verzocht het griffierecht binnen de op de nota/in de herinnering gestelde betalingstermijn te betalen. Voorts is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het (hoger) beroep. Bij brief van 19 juli 2021 heeft appellant verzocht de beslissing met betrekking tot afwijzing van beroep op betalingsonmacht te herzien. Bij brief van 26 juli 2021 is aan appellant meegedeeld dat de Raad de brief van 9 juli 2021 handhaaft. Zijn verzoek om vrijstelling van het griffierecht is afgewezen, deze beslissing blijft ongewijzigd. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november
  2. (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) T. Hemelrijk-van den Oudenalder Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord. CVG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.