Datum uitspraak: 7 december 2021 18/4930 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 juli 2018, 18/1382 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft bij besluit van 10 september 2020 de bestreden maatregel ingetrokken. Bij brief van 24 september 2020 heeft mr. Waarsenburg namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het college met het besluit van 11 september 2020 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Het college heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat voor de gevraagde proceskostenvergoeding in hoger beroep geen aanleiding bestaat. De bestreden maatregel werd ingetrokken zodra het college na eigen onderzoek was gebleken dat appellant op 8 februari 2018 door de politierechter was veroordeeld voor dezelfde feiten als waarop de bestreden maatregel was gegrond en appellant de bij die uitspraak opgelegde straf eind maart, begin april 2018 had ondergaan. Dit standpunt volgt de Raad niet. In dit geval is het niet uitsluitend aan de handelwijze van appellant te wijten dat hij hoger beroep heeft moeten instellen. Het college had immers eerder onderzoek kunnen doen en naar aanleiding daarvan een juist besluit kunnen nemen. De Raad ziet daarom aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 748,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. In de bijlage bij het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van de proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegekend. In vergoeding van de te betalen eigen bijdragen, zoals door de gemachtigde van appellante is verzocht, is daarbij niet voorzien. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het college wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 748,-. Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2021. (getekend) E.C.R. Schut (getekend) K.R. van Renswoude
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.