183806 WW-PV Datum uitspraak: 8 december 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2018, 18/94 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december
- Zitting heeft: E.J.J.M. Weyers, als lid van de enkelvoudige kamer. Griffier: L.R. Kokhuis Via skype hebben aan de zitting deelgenomen: appellant, bijgestaan door mr. U. Karatas en T. van de Weert als vertegenwoordiger van het Uwv. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep: - verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.900,-; - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 172,- vergoedt. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 5 december 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv zijn beslissing van 22 september 2017 gehandhaafd, waarbij appellant met ingang van 1 september 2017 in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een dagloon van € 57,
- Namens appellant heeft mr. U. Karatas, advocaat, op 12 juli 2018 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en daarbij zijn standpunt, dat het WW-dagloon te laag is vastgesteld, herhaald.
- Bij besluit van 4 juli 2019 heeft het Uwv het bestreden besluit ingetrokken en is de WWuitkering van appellant alsnog per 1 september 2017 geweigerd, omdat uit onderzoek is gebleken dat sprake is geweest van een zogeheten gefingeerd dienstverband, op grond waarvan appellant niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. De Raad heeft het besluit van 4 juli 2019 – op uitdrukkelijk verzoek van appellant – niet betrokken in het aanhangige hoger beroep, maar heeft dit besluit met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht voor behandeling in bezwaar doorgezonden naar het Uwv.
- Nu het bestreden besluit door het Uwv is ingetrokken en daarbij tevens de toekenning van WW-uitkering per 1 september 2017 materieel is herroepen, heeft appellant geen procesbelang meer bij een oordeel van de Raad over de hoogte van het dagloon dat aan de (met terugwerkende kracht ingetrokken) WW-uitkering ten grondslag lag. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Indien mocht blijken dat het besluit van 4 juli 2019 in rechte geen stand kan houden, dan zal het Uwv een nieuw toekenningsbesluit moeten nemen. Indien appellant het met het WW-dagloon in het nieuwe toekenningsbesluit niet eens is, kan hij daartegen op dat moment rechtsmiddelen aanwenden.
- Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant voor de aan hem beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 3.900,- (1 punt in de bezwaarfase, waarde per punt € 534,-, 2 punten in beroep en 2,5 punten in hoger beroep, waarde per punt € 748,-, met een wegingsfactor 1). Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer L.R. Kokhuis E.J.J.M. Weyers