← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2021:3220

202344 ANW Datum uitspraak: 17 december 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2020, 19/2270 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (Marokko) (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november

  1. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich, met kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1.
  2. Op [datum van overlijden] 2014 is de echtgenoot van appellante overleden. In verband hiermee heeft de Svb aan appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend, omdat zij toen een kind jonger dan achttien jaar had die tot haar huishouden behoorde. 1.
  3. Bij besluit van 11 september 2017 is de aan appellante toegekende nabestaandenuitkering per 1 januari 2018 beëindigd, omdat haar jongste kind op [geboortedatum kind] 2017 de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. 1.
  4. Appellante heeft hierop te kennen gegeven dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt is en dat zij om die reden een nabestaandenuitkering wil houden. 1.
  5. Naar aanleiding hiervan heeft de Svb het Uwv gevraagd om te onderzoeken of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Appellante is op 23 januari 2018 door de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) onderzocht. Na kennisname van de resultaten van dat onderzoek heeft een verzekeringsarts van het Uwv in zijn rapport van 28 mei 2018 te kennen gegeven dat aanvullend medisch onderzoek in Nederland noodzakelijk wordt geacht. Appellante is vervolgens hiertoe opgeroepen. Appellante heeft verschillende keren geweigerd om naar Nederland te komen, omdat zij zich niet in staat acht om te reizen. In een rapport van 30 januari 2019 heeft een Uwv-verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van alle ter beschikking staande stukken geconcludeerd dat appellante reisvaardig en beschikbaar is voor expertise-onderzoek in Nederland. 1.
  6. Bij besluit van 22 maart 2019 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2017 ongegrond verklaard. De Svb kan niet vaststellen of appellante meer dan 45% arbeidsongeschikt is, omdat zij niet meewerkt aan een onderzoek hiernaar.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat het onderzoek door CNSS en de psychiatrische expertise onvoldoende objectieve en concrete informatie bevatten om eventuele arbeidsbeperkingen van appellante te kunnen vaststellen. De inhoud van deze rapporten zijn summier en daaruit kan niet worden opgemaakt hoe de artsen hierover denken. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 30 januari 2019 duidelijk toegelicht waarom hij appellante reisvaardig acht en volgens het rapport van CNSS is appellante ook in staat om onder begeleiding naar Nederland te reizen voor een kortdurend verblijf. Volgens de verzekeringsarts zijn er geen objectieve gronden die appellante beletten om naar Nederland te komen. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit objectief gezien volgt dat zij niet onder begeleiding naar Nederland kan reizen. Dat betekent dat de Svb terecht de nabestaandenuitkering per 1 januari 2018 heeft beëindigd.
  8. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij ziek is en haar gezondheid is verslechterd.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden ten volle onderschreven. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd waaruit objectief gezien volgt dat zij niet onder begeleiding naar Nederland kan reizen voor medisch onderzoek. Wat appellante overigens in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. 4.
  11. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  12. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december
  13. (getekend) C.H. Bangma (getekend) M. Buur

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.