← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2021:3222

19 4389 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 september 2019, 19/1570 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) Datum uitspraak: 15 december 2021 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Bij besluit van 14 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 maart 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een scootmobiel afgewezen.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  5. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft herhaald dat het college zijn aanvraag voor verstrekking van een scootmobiel ten onrechte heeft afgewezen, omdat hij vanwege zijn vervoersprobleem was aangewezen op een scootmobiel. Het college heeft niet onderbouwd dat het verstrekken van een scootmobiel appellant nog minder zou motiveren om behandeling aan te gaan en anti-revaliderend is.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Aan het bestreden besluit heeft het college de medische adviezen van Treve van 10 augustus 2018 en 4 maart 2019 ten grondslag gelegd. Het college heeft geconcludeerd dat uit deze adviezen niet blijkt dat er een (tijdelijke) oplossing nodig is. Appellant kan zich verplaatsen met fiets, brommer en auto. Appellant wil de scootmobiel ter vervanging van het lopen. Appellant kan ongeveer 100 meter overbruggen zonder loophulpmiddelen. Hij kan zelf voorzien in zijn lokale vervoersbehoefte. In de stukken is volgens het college geen steun te vinden voor de stelling van appellant dat hij niet naar de bushalte kan lopen, gelegen op een afstand van 30 meter van zijn huis, noch voor de stelling dat hij niet 15 minuten op de bus kan wachten. Deze stellingen zijn ook niet met medische stukken onderbouwd. Ook heeft appellant zijn stelling dat zelf lopen en staan tot onherstelbare gezondheidsschade zal leiden, niet onderbouwd. 4.
  8. Appellant heeft deze conclusies niet met (medische) stukken bestreden. Alleen daarom al bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de aanvraag om een scootmobiel ten onrechte heeft afgewezen. De ter zitting aangehaalde verklaring van de huisarts maakt dit niet anders. Uit deze verklaring volgt dat de huisarts op verzoek van appellant een brief heeft geschreven ter ondersteuning van zijn aanvraag om een scootmobiel gezien het belang van sociale contacten. De huisarts heeft hierbij echter ook opgemerkt dat hij het van belang acht dat appellant in beweging blijft. 4.
  9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H. Benek en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december
  11. (getekend) D.S. de Vries (getekend) D. Al-Zubaidi

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.