Datum uitspraak: 21 december 2021 19/3602 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2019, 18/6537 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft bij besluit van 30 april 2021 de bestreden maatregel ingetrokken. Bij brief van 16 juni 2021 heeft mr. Kafa namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft geen verweerschrift ingediend. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het college met het het besluit van 30 april 2021 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.068,- in bezwaar, € 1.870,- in beroep en € 748,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting bij de rechtbank komen voor een vergoeding van € 2,38 (op basis van openbaar vervoer 2e klasse) in aanmerking. De gevraagde reiskosten in hoger beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking aangezien er geen zitting bij de Raad heeft plaatsgevonden. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het college wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.688,38. Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2021. (getekend) E.C.R. Schut (getekend) K.R. van Renswoude
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.