193789 AOW Datum uitspraak: 23 december 2021 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2019, 18/6429 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de Svb schriftelijk vragen gesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2021. Namens appellant is mr. Van Zundert verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is in de tachtiger jaren in China gehuwd met [B.], die in China verblijft. In 1991 is appellant als vluchteling naar Nederland gekomen. In 2007 is hij via een pardonregeling tot Nederland toegelaten. Een verzoek om toelating van zijn echtgenote tot Nederland is in 2009 afgewezen. Deze afwijzing is rechtens onaantastbaar geworden. 1.2. Met een besluit van 26 juni 2018, in stand gelaten bij besluit van 26 oktober 2018 (bestreden besluit), heeft de Svb aan appellant met ingang van 17 oktober 2018 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een gehuwde pensioengerechtigde (gehuwdenpensioen) toegekend. Volgens de Svb kan appellant voor de toepassing van de AOW niet als ongehuwd worden aangemerkt omdat hij niet duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. 2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat appellant en zijn echtgenote elkaar de afgelopen vijf jaren gemiddeld 180 dagen per jaar hebben gezien. Zij onderhouden via e-mail contact als de echtgenote in China verblijft. Er blijkt dan ook niet van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, zodat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De rechtbank heeft de stelling verworpen dat appellant wordt gediscrimineerd ten opzichte van andere alleenstaanden. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de situatie van gehuwden niet vergelijkbaar is met de situatie van ongehuwden. 3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij aangemerkt moet worden als duurzaam gescheiden levend van zijn echtgenote, in ieder geval omdat zij geen toestemming krijgt zich in Nederland te vestigen en er van feitelijke samenleving dus geen sprake kan zijn. Al sinds 1991 gaan hij en zijn vrouw hun eigen gang. Dit heeft geleid tot verwijdering en de wens van zijn vrouw bij haar familie in China te blijven wonen. Ook meent appellant dat hij gediscrimineerd wordt ten opzichte van andere alleenstaanden. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 4.2. Volgens vaste rechtspraak wordt voor de uitleg van het begrip ‘duurzaam gescheiden leven’ aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1960 (RSV 1960/67). Daarbij worden twee situaties onderscheiden waarin sprake is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten, te weten: 1. de gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Dan is sprake van duurzaam gescheiden leven als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.