203715 AOW Datum uitspraak: 23 december 2021 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 september 2020, 20/1167 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F. Krol-Postma, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. De Raad heeft de Svb schriftelijk vragen gesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Krol-Postma. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant ontving een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Hij is op 25 september 2019 in het huwelijk getreden met [naam echtgenote] (echtgenote). 1.2. Met een besluit van 13 januari 2020 heeft de Svb appellant laten weten dat hij per 1 oktober 2019 recht heeft op een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde, omdat uit onderzoek is gebleken dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven tussen hem en zijn echtgenote. In een beslissing van 2 maart 2020 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant hiertegen ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de Svb terecht de vraag beantwoord of sprake is van duurzaam gescheiden leven en niet de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat er geen sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Appellant en zijn echtgenote hebben al lange tijd een LAT-relatie en de invulling van hun relatie is na het huwelijk niet gewijzigd. Zij hebben regelmatig (telefonisch) contact met elkaar, bezoeken elkaar regelmatig, ondernemen samen activiteiten en presenteren zich naar buiten toe als stel. Eén van de redenen voor het huwelijk is de zorg voor de financiële toekomst van de echtgenote bij overlijden. Dat de echtgenote van appellant in het kader van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemer door de gemeente Amsterdam – op grond van de daar verstrekte informatie – is aangemerkt als alleenstaande, doet hieraan niet af. Evenmin is er sprake van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gehuwden met ieder een eigen huishouding en ongehuwden met ieder een eigen huishouding. 3.1. In hoger beroep stelt appellant in essentie dat hij een leven leidt als een ongehuwde. Hij en zijn echtgenote zijn financieel onafhankelijk van elkaar, zij voeren – ook in verband met zijn medische situatie – gescheiden huishoudens en in de huwelijkse voorwaarden is sprake van een ‘koude uitsluiting’. De beschreven toestand is als bestendig bedoeld. 3.2. De Svb heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 4.2. Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.