Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2019, 19/1298 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) en [appellante] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) Datum uitspraak: 21 december 2021 Zitting heeft: J.N.A. Bootsma Griffier: T. Ali Ter zitting is appellant verschenen, vergezeld door D.V. Dimitrova, tolk. Voor het college is verschenen M.J. Logan. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep: vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 januari 2019; herroept het besluit van 24 september 2018; stelt de boete vast op € 0,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 januari 2019; bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellanten ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden. Appellant heeft in het buitenland in detentie gezeten. Hij had daardoor geen recht op bijstand en appellante had recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. De teveel betaalde bijstand is herzien en teruggevorderd. Appellanten kunnen zich daar in vinden. Bij besluit van 24 september 2018, gehandhaafd bij besluit van 14 januari 2019, heeft het college aan appellanten ook nog een boete opgelegd van € 332,05 omdat appellante de detentie van appellant niet tijdig aan het college had gemeld. Daarbij is uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid, omdat het college niet adequaat had gehandeld na een signaal van het Inlichtingenbureau over de detentie van appellant op 4 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.