183356 WAJONG Datum uitspraak: 7 januari 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 mei 2018, 17/2728 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 26 november 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1976, heeft in verband met congenitale deformatie en vermoeidheidsklachten sinds [geboortedatum] 1994 een uitkering op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 1 januari 1998 is die uitkering voortgezet als een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998). In 2008 heeft het Uwv in het kader van een herbeoordeling vastgesteld dat de belastbaarheid van appellante ten opzichte van haar situatie in 1994 niet is veranderd en dat appellante niet in staat wordt geacht tot het verrichten van algemeen gangbare arbeid in het vrije bedrijf. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 11 december 2014 heeft het Uwv appellante laten weten dat een herbeoordeling van haar uitkering zal plaatsvinden. Op 29 oktober 2016 heeft appellante een vragenlijst ingevuld. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 29 december 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante wordt geschikt geacht voor de taak ‘bemannen balie’. 1.3. Bij besluit van 15 september 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 december 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 1.4. In beroep heeft verzekeringsarts M.M.F. Timmerhuis op 15 november 2017 namens appellante een rapport uitgebracht. Timmerhuis concludeert dat appellante een ernstig invaliderende aangeboren afwijking heeft en dat het niet reëel is om te stellen dat appellante beschikt over de vereiste minimale werkcapaciteiten. Vanwege de geringe inspanningstolerantie als gevolg van haar aandoeningen, kan appellante volgens Timmerhuis niet één uur aaneengesloten werken en is zij niet vier uur per dag belastbaar. Ook acht zij de theoretische functies niet passend. Daarnaast heeft appellante informatie van haar huisarts van 18 januari 2018 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met rapporten van 13 december 2017 en 7 maart 2018 op deze stukken gereageerd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft rekening gehouden met de congenitale deformatie en de daarmee samenhangende aandoeningen van appellante, met haar vermoeidheidsklachten en psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst erop dat, anders dan Timmerhuis stelt, appellante geen long mist maar een longkwab. Het gemis van een longkwab is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep van invloed op de inspanningstolerantie, maar is minder ernstig dan Timmerhuis aanneemt. Dat de longfunctie van appellante zeer beperkt is vanwege de vervormde thorax zoals Timmerhuis stelt, is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aanname. Zij wijst er in dit verband verder op dat ook personen met een verminderde inspanningstolerantie nog in staat geacht worden tot lichte werkzaamheden voor halve dagen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante, ondanks haar energetische beperkingen, vier uur per dag belastbaar is en aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op goede gronden betekenis toegekend aan het dagverhaal van appellante, waaruit blijkt dat zij, behoudens enkele rustmomenten, actief is met haar kinderen en de huishouding, en aan de verklaring van de huisarts dat appellante wel sneller moe en kortademig is bij inspanning en bij huishouden, maar dat zij fitness in eigen tempo 45 minuten volhoudt. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft, zodat zij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Volgens appellante zijn haar psychische klachten en ernstige vermoeidheidsklachten onderschat. Appellante wijst hierbij op het in beroep overgelegde rapport van 15 november 2017 en de uitkomsten van een longfunctieonderzoek. Met haar klachten kan zij niet een uur aaneengesloten werken en is zij niet ten minste vier uur per dag belastbaar. Als appellante vier uur per dag zou moeten werken, bestaat volgens haar het risico dat zij opnieuw in een psychose terechtkomt. Appellante stelt dat zij geen vol dagprogramma heeft en dat zij na een activiteit van een half uur weer moet rusten. Gelet op de herbeoordeling in 2008, acht appellante het ook niet reëel dat zij arbeidsvermogen zou hebben. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op 1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.