← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2021:388

1816 ZW Datum uitspraak: 22 februari 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 november 2017, 16/1225 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H.G.M. Hilkens, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.

  1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als tandartsassistente voor 26,5 uur per week. Op 22 september 2014 heeft zij zich na een fietsongeval ziek gemeld met voet- en enkelklachten. Op dat moment ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Appellante is daarnaast bekend met knie-, hoofdpijn-, rug-, schouder- en oogklachten, klachten van de baarmoeder en fybromyalgie. Het Uwv heeft appellante met ingang van 22 december 2014 in aanmerking gebracht voor ziekengeld grond op van de Ziektewet (ZW). 1.
  2. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellante op 31 augustus 2015 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar haar belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 augustus
  3. Een arbeidsdeskundige heeft vijf functies geselecteerd en op basis van de functies schadecorrespondent (SBC-code 516080), inpakker (handmatig)(SBC-code 111190) en administratief medewerker (SBC-code 315090) berekend dat appellante nog 87,08% van haar maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 10 september 2015 het recht op ziekengeld met ingang van 22 oktober 2015 beëindigd, omdat appellante per 21 september 2015 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 maart 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen beperkingen meer aangenomen op de items 2.1 (zien) en 6.2 (uren per dag) en een gewijzigde belastbaarheid vastgelegd in een FML van 16 maart
  4. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van deze FML vastgesteld dat de primair geselecteerde functies nog steeds geschikt zijn voor appellante en, na aanpassing van het maatmaninkomen, berekend dat appellante nog 90,98% van haar maatmaninkomen zou kunnen verdienen. 2.
  5. Appellante heeft beroep ingesteld en ter onderbouwing van haar standpunt diverse medische stukken, waaronder informatie van de GZ-psycholoog, orthopedisch chirurg en huisarts, overgelegd. Het Uwv heeft in reactie hierop rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 januari 2017, 22 maart 2017 en 27 september 2017 ingezonden. 2.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig en deugdelijk is geweest. Het rapport van deze verzekeringsarts bevat geen inconsistenties en is voldoende concludent. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle door appellante aangevoerde fysieke klachten betrokken in het onderzoek en daarbij alle overgelegde medische stukken meegewogen, besproken en van commentaar voorzien. De verzekeringsarts heeft geen medische reden gezien om appellante als volledig arbeidsongeschikt te beschouwen, omdat zij niet voldoet aan de criteria beschreven in het Schattingsbesluit en de standaard ‘Geen benutbare mogelijkheden’. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen op de items 2.1.1 (zien) en 6.3.2 (30 uur per week) zoals gesteld door de verzekeringsarts niet kunnen plaatsen en deze geschrapt. Met de overige beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich kunnen verenigen. De gewijzigde belastbaarheid is vastgelegd in de FML van 16 maart
  7. De rechtbank kan zich vinden in de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat de ingebrachte medische gegevens geen aanleiding geven om het ingenomen standpunt met betrekking tot de vastgestelde beperkingen te herzien. De rechtbank heeft geen reden gevonden om aan te nemen dat mogelijkheden en beperkingen van appellante op onjuiste wijze in de FML van 16 maart 2016 zijn neergelegd. De rechtbank heeft zich voldoende voorgelicht geacht over de gezondheidssituatie van appellante en heeft om die reden geen aanleiding gezien om een onafhankelijke medische deskundige te benoemen. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellante. 3.
  8. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de beoordelingen door het Uwv niet consequent en evenmin concludent zijn gelet op de acceptatie van de ziekmelding van 28 juli
  9. Zij is toen met feitelijk dezelfde klachten arbeidsongeschikt geacht. Appellante is van mening dat van een bijzondere waarde van de rapporten van de verzekeringsartsen niet gesproken kan worden, nu in hun rapporten onvoldoende rekening is gehouden met de aard van de klachten, de duur en het chronische karakter van een of meer van door appellante geuite klachten. Appellante zal nog een verzekeringsarts inschakelen voor het beoordelen van deze rapporten. Appellante kan zich niet verenigen met de arbeidskundige beoordeling, omdat de FML onjuist is. Appellante is verder van mening dat het Uwv in strijd heeft gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur. 3.
  10. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  11. De Raad oordeelt als volgt. 4.
  12. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). 4.
  13. Het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig en deugdelijk is geweest wordt onderschreven. 4.
  14. Het standpunt van appellante dat de beoordelingen door het Uwv niet consequent en evenmin concludent zijn, omdat het Uwv op 28 juli 2016 een nieuwe ziekmelding met feitelijk dezelfde klachten heeft geaccepteerd, slaagt niet. Het Uwv heeft over die ziekmelding toegelicht dat appellante per genoemde datum is geaccepteerd in de ZW op een aankondiging van opname van appellante. Daarbij is appellante zeer ruim geaccepteerd in de ZW. Het recht op ziekengeld is vervolgens met ingang van 28 juli 2017 beëindigd, waarna appellante in beroep is gegaan. Appellante heeft een aangezegd rapport van een verzekeringsarts, waarin de dossiers met betrekking tot onderhavige ziekmelding en de ziekmelding van juli 2016 beoordeeld zullen worden, niet in geding gebracht. 4.
  15. De overwegingen van de rechtbank over het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden eveneens onderschreven. Uit de inzichtelijke en toereikend gemotiveerde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat met alle medisch te objectiveren klachten rekening is gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellante. Daarbij is alle informatie van de behandelende sector en de huisarts meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in rapport van 16 maart 2016 gemotiveerd waarom er aanleiding is om de beperkingen op de items 2.1.1 (zien) en 6.3.2 (30 uur per week) uit de FML te halen. Deze motivering wordt overtuigend geacht. De in beroep overgelegde medische stukken hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep evenmin aanleiding gegeven om tot een andersluidend oordeel komen met betrekking tot de vastgestelde belastbaarheid van appellante. Het standpunt van appellante dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met haar klachten, wordt dan ook niet gevolgd. 4.
  16. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellante. 4.
  17. Het standpunt van appellante dat het Uwv in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, slaagt niet. Appellante heeft dit niet onderbouwd. 4.
  18. Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  19. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari
  20. (getekend) E. Dijt (getekend) H.S. Huisman

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.