185670 WAJONG Datum uitspraak: 26 februari 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 september 2018, 18/728 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2021. Namens appellant is verschenen mr. Faber. Het Uwv heeft zich, via videobellen, laten vertegenwoordigen door H. ten Brinke. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1995, heeft met een door het Uwv op 19 mei 2017 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellant snel moe wordt en mobiliteitsproblemen heeft. Appellant is bekend met congenitale spondylothoracale dysplasie. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 28 september 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant arbeidsvermogen heeft. 1.2. Bij besluit van 5 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 28 september 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank heeft overwogen dat de belastbaarheid van appellant op de datum in geding gemotiveerd is weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts van 15 augustus 2017 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 februari 2018. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn conclusie, te meer nu van de zijde van appellant geen medische stukken zijn overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport heeft overwogen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de behandeling van het beroep aan te houden teneinde appellant in de gelegenheid te stellen een medische expertise te laten verrichten. In zijn rapport van 14 september 2017 heeft de arbeidsdeskundige vermeld dat appellant vanwege zijn beperkingen dient te beschikken over een aangepaste stoel en dat hem de mogelijkheid moet worden geboden om wanneer de situatie daarom vraagt, even te gaan liggen. Appellant is geschikt voor fysiek licht belastende werkzaamheden, die voornamelijk zittend kunnen worden uitgevoerd, zoals assemblagewerkzaamheden, waarbij hij niet ver hoeft te reiken en regelmatig kan vertreden. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de vermelde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten een voldoende en inzichtelijke onderbouwing is gegeven voor het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt dat appellant beschikt over arbeidsvermogen en daarom niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Het Uwv heeft op juiste gronden de gevraagde uitkering geweigerd. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niet over arbeidsvermogen beschikt en niet voldoet aan de criteria die hiervoor zijn gesteld. Volgens appellant zijn zijn fysieke en psychische beperkingen niet juist vastgesteld. Hij is beperkt in vervoer en is aangewezen op hulp van anderen. Hij kan niet alleen naar het werk, maar dient gebracht en gehaald te worden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep een rapport van verzekeringsarts H.J.M. van der Planken van 13 januari 2020 overgelegd. Appellant is van mening dat hij de taak die het Uwv heeft benoemd niet kan uitvoeren. Hij kan namelijk niet duwen, trekken en draaien. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.